Home
Contact
News update
  Veterinary Service
Veterinary Practice
Horse breeding farm
Equine Sportsmedicine
Equine Embryo Transfer
Where did we go
Where do we go
Seminars
Press presentations
Veterinary dairy
Phryso magazine
Collumn  "de Hoefslag"
Olcha, mother  Sape 381
Peden Flying Horses
Compiegne  EK  2005
Dubai    WK  2005
Dubai   WK  2005
Bahrain  WK  2005
Bahrain   WK  2005
Friesian Stallionshow  06
W.E.G.  Aken  2006
Oviedo   EK  2008
Malaysia  WK  2008
Kesckemet   WK  2009
Bobolna   WK  2009
Assisie   EK  2009
Lion d´Angers   WK  2009
Abu Dhabi, febr  2010
Barroca d´Alva, mrt  2010

Phryso, maart 2009.
 
Recent verschenen artikel, geschreven en gepubliceerd in de Phryso, het officiele orgaan van het Fries Paardenstamboek.

Tekst: Drs. Ben Horsmans, Erkend Paardendierenarts






Embryo van een paard, ongeveer 2 maanden oud

Hoe, wat en waarom?
Vruchtbaarheidsonderzoek Friese merries

Na de geboorte van een veulen rijst bij fokkers altijd weer dezelfde vraag: Wanneer en waarmee laten we
de merrie insemineren voor de volgende dracht. Het tijdstip van een 'nieuwe' inseminatie levert altijd
discussies op. Moet de inseminatie tijdens de veulenhengstigheid plaatsvinden, laten we de merrie met
het zeer jonge veulen aan de voet hengstig spuiten of is het raadzaam wat langer te wachten? In dit
artikel worden de voor- en nadelen van elke mogelijkheid besproken en belicht Phryso een aantal vruchtbaarheidsonderzoeken
voor (probleem)merries.


Als de geboorte van het veulen goed
is verlopen en de nageboorte snel en
volledig is afgekomen, is inseminatie
tijdens de eerste veulenhengstigheid
een optie. Met name als het seizoen al
vergevorderd is en het volgende
veulen niet te laat in het jaar mag
worden geboren. Een tweede voordeel
van inseminatie in de veulenhengstigheid
is de duur van de hengstigheid.
Normaal is een merrie zes tot negen
dagen hengstig, met een jong veulen
aan de voet duurt die periode maar
twee tot vier dagen. Juist tijdens de
veulenhengstigheid is er bijna altijd
een eisprong. Zelfs als de merrie
weinig hengstigheidsverschijnselen
toont, is de kans op opname tamelijk
groot. Nadeel van inseminatie tijdens
de veulenhengstigheid is de vergrote
kans op vruchtverlies omdat de baarmoeder
nog steeds herstellende is en
haar oorspronkelijk vorm weer moet
aannemen. Met andere woorden: inseminatie
in de veulenhengstigheid
geeft in de regel een snelle dracht
maar de risico's op vruchtverlies zijn
iets groter dan normaal. Fokkers die
voor dit inseminatietijdstip kiezen,
worden dan ook geadviseerd extra
drachtigheidscontroles te laten
uitvoeren.

Hengstig spuiten !!

Als de fokker voor een volgende
dracht kiest, en de merrie nog een
jong veulen aan de voet heeft, blijkt
het hengstig spuiten van de merrie
een veelgekozen methode. Meestal
wordt de injectie twintig dagen na de
geboorte van het veulen toegediend.
Na vijf tot zeven dagen wordt de
merrie hengstig. De symptomen zijn
duidelijk waarneembaar. Bij het hengstig
spuiten op een zelf gekozen tijdstip
krijgt de baarmoeder in de regel
meer rust dan bij een inseminatie in
de eerste veulenhengstigheid. Omdat
er door de fokker actief wordt gehandeld,
wordt de hengstigheid meestal
goed gevolgd en niet vergeten.
Fokkers kunnen er uiteraard ook voor
kiezen om de natuur haar gang te
laten gaan. Meestal wordt dan de
veulenhengstigheid overgeslagen. Bij
de tweede hengstigheid wordt de
merrie voor inseminatie aangeboden.
Bij een Friese merrie begint de veulenhengstigheid
normaal gesproken rond de elfde (negen tot dertien dagen)
dag na de worp. De tweede hengstigheid vindt circa dertig dagen na de geboorte van het veulen plaats.

Vruchtbaarheidsonderzoek:

Fokkers investeren relatief veel in het
nageslacht van Friese paarden.
Dekgelden maar ook het onderhoud
van de merrie kosten veel geld. Om
eventueel financieel verlies in de
hand te kunnen houden, wordt geadviseerd
de kansen op succes bij de
betreffende merrie(s) zo goed mogelijk
te laten beoordelen. De meest
aangewezen persoon daartoe is een
Erkend Paardendierenarts.
De volgende vruchtbaarheidsonderzoeken
zijn mogelijk:

1 Anamnese van de merrie.
2 Inspectie van het geslachtsapparaat.
3 Rectaal onderzoek merrie.
4 Scanonderzoek merrie.
5 Slijmonderzoek van de baarmoeder
of vagina.
6 Biopt (weefsel)onderzoek van
de baarmoeder.
7 Hysteroskopy
(baarmoederspiegeling).
8 Bloed/urine-onderzoek merrie.
9 Overig aanvullend onderzoek.

Anamnese:
In een anamnese wordt de (gyneacologische)
voorgeschiedenis van de merrie
omschreven. Behalve leeftijd, actuele
gezondheidstoestand, gebruik,
voedingstoestand, et cetera, is ook de
veulengeschiedenis van belang. Heeft
de merrie onlangs, lang geleden of nog
geen veulen gekregen? Hoe is de
laatste geboorte verlopen? Is de nageboorte
snel en helemaal afgekomen? Is
de merrie/baarmoeder vaak behandeld,
waarmee, hoelang, waarvoor, et cetera?
Met andere woorden: zijn er in het
verleden problemen geweest. Met deze
informatie probeert de dierenarts na te
gaan of de merrie makkelijk danwel
moeilijk drachtig is te krijgen. Hierop
baseert de dierenarts de weg die hij
denkt te moeten bewandelen. Het zal
duidelijk zijn dat er niet altijd een
verklaring voor problemen te vinden
is. Een nauwkeurige analyse kan vaak
wel een heleboel informatie bieden
waardoor de kansen op succes beter
kunnen worden ingeschat. Ook de
actuele gezondheidsstatus en
voedingsconditie van de merrie is vaak
van invloed op al of niet succesvolle
kansen. Te dikke merries worden over
het algemeen minder snel drachtig. Te
veel wedstrijdstress blijkt meestal niet
gunstig. Een recent onderzoek in
Amerika beweert dat merries die veel
te dik zijn meer kans geven op hengstveulens
en merries die te dun zijn
meer merrieveulens baren. Of dit
voor Nederlandse omstandigheden
geldt, is niet bekend.

Inspectie geslachtsapparaat:
Uit- en inwendige inspectie van het
geslachtsapparaat van de merrie vormt
een wezenlijk onderdeel van het onderzoek.
Wat is normaal en wat niet? Als
de vagina goed en recht van boven
naar onder strak gesloten verloopt, is
er sprake van een normale situatie. Een
vagina-uitgang die half open staat,
lucht aanzuigt en/of uitvloei vertoont
is natuurlijk niet gewenst. Wanneer de
vagina kort tussen duim en wijsvinger
wordt opengespreid en daarna direct
los wordt gelaten, moet deze direct
strak en snel gesloten de normale
positie weer aannemen. Als de vagina
wordt opengespreid, mag de binnenkant
van de vagina en de ingang van de
baarmoeder niet te lang zichtbaar zijn.
De binnenkant van de vagina moet
redelijk tot goed zijn aaneengesloten.

Zuigt deze bij het openen lucht naar
binnen, dan kan dit een sterk nadelige
invloed op de toekomstige dracht betekenen.
Vrij vocht en/of urine in de
vagina is ook een slecht teken. De
kans op serieuze infecties van vagina
en baarmoeder wordt hierdoor sterk
vergroot. Een goede inspectie van de
baarmoederingang (cervix) behoort bij
probleemgevallen tot de verplichte
onderzoeksonderdelen. De kringspier
van de cervix heeft bij een drachtige
merrie een hele belangrijke functie en
oefent die puur op basis van
hormonen uit. Tijdens de dracht
neemt de spanning op de cervix toe.
Ondanks die toenemende spanning
blijft deze spier, in normale omstandigheden,
gesloten. Alleen tijdens een
hengstigheid en tijdens de geboorte
opent de kringspier zich! Als tijdens
een geboorte de cervix beschadigd
raakt en daarna een normale sluiting
niet meer mogelijk is, is drachtigheid
in de meeste gevallen verder uitgesloten.
Normaliter is de cervix niet
zichtbaar waardoor een mogelijke
onvruchtbaarheidsoorzaak ten gevolge
van een slecht werkende kringspier
moeilijker te diagnosticeren is.

Rectaal onderzoek:
Bij rectaal onderzoek wordt via het
opvoelen door de darm onderzocht of/
en in hoeverre een normale baarmoeder
voor handen is. Dikte, grootte en
ligging van de baarmoeder worden door
de dierenarts beoordeeld. Oudere
merries hebben meer kans op een
gedeeltelijke verzakking van de baarmoeder,
vooral als ze al veel veulens
hebben gekregen. Niet alleen de inseminatie
maar ook de normale opschoning
en vochtafvoer uit de baarmoeder kan
door deze afwijkende ligging een
probleem vormen. Aan de hand van de
dikte van de baarmoederwand kan de
dierenarts een indruk krijgen van de
mate van doorbloeding en de kansen op
dracht inschatten. De grootte van de
eierstokken kan eveneens worden nagevoeld.
De grootte van de eierstokken
kan een goede indruk geven over de
totale (fokkerij)activiteit van de merrie.
De fokker kan door die informatie
inschatten of het überhaupt al zinvol is
om actie te ondernemen. Ook de grootte
en gevoeligheid van de eierstokken
worden door de dierenarts beoordeeld.
Indien de merrie nog maar kort geleden
een ovulatie heeft gehad (binnen twee
uur) kan de dierenarts dit herkennen
aan een lichte pijnlijke reactie bij het
aanraken van de geovuleerde eierstok.

Scanonderzoek:
Het scanonderzoek (ultrasound) is de
laatste jaren tot een essentieel onderzoek
van de te insemineren merrie uitgegroeid.
In het begin van het seizoen kan
de dierenarts door scannen de activitieit
van de eierstokken goed beoordelen.
Werd in eerste instantie de scanner
vooral gebruikt voor het meten en
bekijken van de follikels en de inschatting
van een mogelijke eisprong; heden
ten dage is het ook van essentieel belang
om met name bij Friese merries naar de
baarmoeder alsook de mogelijke inhoud
te kijken. Een dierenarts kan via een
scan heel goed beoordelen of de baarmoeder
zich in de juiste situatie bevindt
om geinsemineerd te worden, of dit past
met de situatie op de eierstokken en of
de baarmoeder droog is. Bij Friese
merries is vaak sprake van meer of
minder vrij vocht in de baarmoeder. Dat
is in de meeste gevallen ongunstig voor
een drachtigheidsresultaat. Aan de
'kleur' (grijs/zwart/met zonder neerslag)
van de baarmoederinhoud kan worden
herkend of er mogelijk sprake is van een
infectie of alleen maar vrij vocht. Belangrijk
is dat via het scannen niet alleen de
eierstokken en dus de follikelgrootte
worden beoordeeld, maar vooral of de
bevindingen met die van de baarmoeder
overeenkomen. Vaak toont een merrie
lichte hengstigheidssymptomen ten
gevolge van één of enkele follikels op de
eierstok maar als de baarmoeder niet
parallel loopt met deze vermeende hengstigheid,
heeft het geen enkele zin deze
merrie te insemineren. Sterker nog: een
inseminatie zal in een dergelijke situatie
vrijwel zeker niet tot drachtigheid
leiden maar wel tot een hele grote kans
op een fikse baarmoederonsteking. De
dierenarts zal, als er sprake is van vrij
vocht in de baarmoeder, meestal verder
onderzoek doen door bijvoorbeeld een
slijmmonster te nemen. Een scanonderzoek
biedt zowel de dierenarts als de
fokker vele voordelen. Niet alleen de
grootte van de eierstokken, de grootte
van de follikels, de aantallen follikels en
de soorten follikels kunnen worden
bekeken, maar ook afwijkende follikels
en bijvoorbeeld tumoren kunnen goed
worden herkend. Door de grootte en
vorm van de follikel te beoordelen, kan
worden ingeschat wanneer de merrie
gaat ovuleren. Ook kan na de ovulatie
via een scan worden vastgesteld aan
welke zijde en eventueel hoeveel follikels
geovuleerd zijn.

Slijmmonsteronderzoek:
Via een slijmmonsteronderzoek van
baarmoeder of cervix kan een dierenarts
nagaan of, en zo ja, welke bacteriën
zich in de baarmoeder bevinden.
Het is bekend dat een baarmoeder niet
honderd procent steriel is. Een aantal
beruchte bacteriën, zoals de E Coli,
mogen er echter niet worden
gevonden. Tijdens de normale hengstigheid
heeft de baarmoeder een sterk
opschonende natuurlijke functie.
Buiten die hengstigheid is dat veel
minder. Normaal gesproken moeten
fokkers van merries, die natuurlijk
worden gedekt, in de maanden voor de
dekking een slijmmonsteronderzoek
laten uitvoeren. Dat slijmmonsteronderzoek
is niet alleen in het belang van
de merrie maar ook van de dekhengst
want een besmetting via de merrie
moet uiteraard worden voorkomen.
Ook voor guste merries, de merries die
wel gedekt/geïnsemineerd zijn maar in
het jaar van de dekking niet drachtig
werden, is het goed om aan het begin
van het nieuwe dekseizoen een slijmmonster
te laten nemen.
In de praktijk geldt de volgende vuistregel:
als een merrie meer dan driemaal
terugkomt, -al drie of meer cycli
zonder succes in hetzelfde dekseizoen
werd geïnsemineerd- wordt een slijmmonster
nader onderzocht.
Een slijmmonster dient altijd tijdens
een hengstigheid te worden afgenomen.
Afgezien van het feit dat een dierenarts
tijdens de niet-hengstigheid veel moeilijker
in de baarmoeder kan komen, is
het risico op een baarmoederbesmetting
tijdens de niet-hengstigheidsperiode
heel groot. Het afgenomen slijmmonster
wordt in een laboratorium
onderzocht. Indien de eigenaar direct in
het begin van een hengstigheidsperiode
een monster laat nemen, zal de uitslag
na enkele dagen -nog tijdens dezelfde
hengstigheid- bekend zijn. Tussen laboratoria
zijn wel verschillen in het tempo
waarin wordt gewerkt.
Bij de constatering van een infectie
wordt er ook een antibiogram (gevoeligheidstest)
ingezet. Daarmee wordt getest
welke antibiotica goed werken tegen de
gevonde bacterië(n) en welke niet. Via
een antibiogram kan zo gericht mogelijk
een goede behandeling worden ingesteld.
Niet alleen bacteriën kunnen
stoorzenders zijn. Bij echte probleemgevallen
moeten er ook onderzoeken naar
gisten en schimmels plaatsvinden. Deze
onderzoeken vallen buiten de standaardprocedures.
Vraag de dierenarts wat er
allemaal bij de betreffende merrie wordt onderzocht.
Overmatig gebruik van antibiotica
in de baarmoeder bij het paard
kan na verloop van tijd voor sterke
infecties met gisten en of schimmels
leiden die op hun beurt weer heel moeilijk
te bestrijden zijn. Doelgericht en
effectief antibioticumbeleid is gewenst.

Biopsie (weefselonderzoek):
Een biopsie naar aanleiding van
vruchtbaarheidsonderzoek bestaat
meestal uit het wegnemen van een
klein stukje baarmoederwand. Dat
wordt met een speciaal instrumentje
uitgevoerd. Het monster wordt daarna
in een laboratorium onderzocht.
Beoordeeld worden de verschillende
weefselonderdelen met hun bijbehorende
cellen. Hierdoor is een goede
prognose mogelijk omtrent de
toekomstverwachting van een
'probleemmerrie'. Een biopt wordt niet
standaard afgenomen. Alleen als er
echte problemen zijn. De uitslag van
een biopt heeft één nadeel: niet altijd
geldt het voor de totale baarmoeder.
Een biopt biedt slechts een prognose
en is niet honderd procent waterdicht.

Hysteroskopy (baarmoederspiegeling):
Voor een hysteroskopy wordt een
camera gebruikt. Daarmee kijkt de
dierenarts in de baarmoeder. Met een
endoscoop kan de dierenarts de baarmoeder
spiegelen. Voor een hysteroskopy
wordt de baarmoeder met lucht
iets opgepompt. De opgerekte baarmoederwand
kan dan met een videocamera
aan de binnenkant worden
bekeken. Vooral de kleur van het
normale baarmoederslijmvlies en de
aanwezigheid van neerslag en/of
vloeistof in de baarmoeder zijn
belangrijke criteria voor de prognose
van een mogelijke dracht.
Beschadigingen van de baarmoederwand
kunnen met een hysteroskopy gemakkelijk
worden opgespoord. Dat geldt
ook voor de ingangen van de eileiders
(papillen). Soms kan na een flinke
baarmoederinfectie de ingang naar de
eilleider verstopt zijn. Alleen via een
baarmoederspiegeling kunnen
verstopte eileiders worden ontdekt.
Een tweede belangrijke reden voor
een hysteroskopy is het waarnemen
van (de hoeveelheid) cysten in de
baarmoeder. Cysten in de baarmoeder
zijn als het ware verstopte kliertjes in
de baarmoederwand. Als deze
verstopt raken, bijvoorbeeld door
ontstekingen of ouderdom, worden er
kleine uitstulpingen gevormd ofwel
blaasje die in de baarmoeder aan de
wand 'hangen'. Als deze blaasjes klein
en niet in groten getale aanwezig zijn,
hoeft dit geen directe gevolgen te
hebben voor de drachtigheid. Maar als
de omvang van deze cysten of de
aantallen te groot worden, kunnen ze
wel degelijk een drachtigheid verhinderen.
Via de endoscoop kunnen
cysten weg worden gehaald. Met een
stroomdraadje door de endoscoop
worden deze cysten losgebrand en
verwijderd. Eenmaal verwijderd wil
niet zeggen dat cysten wegblijven.
Soms is het jaar erop een aanvullende
behandeling noodzakelijk.
Bijkomend voordeel is dat via het
endoscopisch onderzoek de beelden
kunnen worden vastgelegd. Bij een
eventueel controle-onderzoek kunnen
de beelden met elkaar worden vergeleken.
Tot slot: via het endoscopische
onderzoek kunnen beschadigingen
aan de cervix goed worden opgespoord.
Met andere woorden: is de
merrie een zogenoemde 'probleemmerrie'
en wil ze nog steeds niet
drachtig worden, schroom dan niet om
een baarmoederspiegeling aan te
vragen. Een baarmoederspiegeling
behoort niet tot de routineonderzoeken.
Het kan niet op stal worden
uitgevoerd. De eigenaar moet met de
merrie naar een paardenkliniek reizen,
maar voor probleemmerries loont het
absoluut de moeite. De behandeling is
vele malen goedkoper dan lange tijd
blijven proberen en insemineren.

Bloed-/urine-onderzoek.
Sommige merries hebben problemen
met de normale, natuurlijke hormoonhuishouding
en kunnen daardoor niet
drachtig worden en/of de vrucht niet
behouden. Door bloed- en/of urineonderzoek
is het mogelijk eventuele
afwijkingen op te sporen. Ook als de
merrie een slechte constitutie heeft, kan
het zinvol zijn om voor het dekseizoen
een uitgebreid bloedonderzoek te laten
uitvoeren. Middels een uitgebreid
orgaanprofiel kunnen mogelijke afwijkingen
worden opgespoord. Eenzijdige
voeding, te korten aan sporenelementen,
vitamines en mineralen kunnen
een reden zijn waarom een merrie niet
drachtig kan worden. Ook voor een te
insemineren merrie geldt dat het dier
gezond dient te zijn voordat er in een
drachtigheid wordt geïnvesteerd.

Aanvullend onderzoek:
Bij overig aanvullend onderzoek moet in
dit verband worden gedacht aan
bijvoorbeeld overgevoeligheid voor de
verdunner van het gebruikte sperma of
genetische onverenigbaarheid van de
merrie met sperma van bepaalde
hengsten. In de praktijk doen hieromtrent
veel verhalen de ronde. Of ze altijd
op waarheid berusten, is moeilijk te
zeggen. Wetenschappelijk bewijs is niet
altijd gemakkelijk. Maar soms zijn er
wel degelijk sterke aanwijzingen voor
de existentie van deze problemen.

De auteur:
'In dit artikel heb ik geprobeerd een aantal onderzoeksmethodes met betrekking
tot de vruchtbaarheid van de merrie te beschrijven. Een aantal is standaard en
simpel uit te voeren. Andere onderzoeken moeten, indien daar aanleiding toe is,
op een kliniek plaatsvinden. Feit is wel dat als een fokker bij één van de merries
problemen met de drachtigheid ondervindt, er meerdere opties zijn om de reden
van die problemen te achterhalen. Bij 'probleemmerries' is het daarnaast raadzaam
om, voordat de eerste keer sperma wordt besteld en (betaald), de fokker probeert
een diagnose te (laten) stellen zodat hij/zij weet waar het probleem vandaan komt.
Een seizoen lang proberen, overmatig insemineren en behandelen zonder inzicht
leidt vaak tot uitzicht zonder resultaat. Het is zonde van de tijd, het geld en lijdt
vaak alleen maar tot onnodige frustraties. Uiteraard zijn er veel andere (niet
merrie)factoren die de oorzaak voor een mindere vruchtbaarheid kunnen zijn.
Daarover een volgende keer meer. Succes alvast.'
Info: www.horsmans.com

-----------------------------------------------


In de Phryso van maart 2008 is verschenen, een uitgebreid verhaal (met talloze foto´s),  geschreven door ondergetekende, betreffende de geboorte van een fries veulen (uit een KWPN draagmoeder.) 
Dit verhaal is ook geplaatst in de Duitstalige Phryso.











In de eerste uitgave van 2007, van de officiele Amerikaanse Phryso verscheen een artikel geschreven door ondergetekende betreffende Embryo Transplantatie bij het paard anno 2006. Dit artikel verscheen eerder in 2006 in de Nederlandse uitgave van de Phryso.






Ook aandacht voor  Van der Velde,  Friesian Horse Stables in Terwispel, NL, op de Amerikaanse markt.






Embryo Transplantatie  bij het paard vanuit Nederlands standpunt en vertaald voor de Amerikaanse markt !



De volledige tekst in het Engels is hieronder afgedrukt.

Verderop is deze tekst in het Nederlands ook nog te lezen.


      Equine  Embryo  Transfer  (ET)   anno  2006


Translated with permission from PHRYSO, April 2006

Original Text and Photography by Drs. Ben Horsmans, www.horsmans.com

Translated by Anneke van den ljssel, USA.

For some time now, the method of embryo transfer (ET) for horses is a phenomenon in the Dutch Horse breed­ing industry that we cannot think of being without.  Several embryo offspring are developing into top perform­ers, not only with warmbloods for jumping and dressage, but also in the whole world. In America and Canada more and more embryo transfers take place with Friesian horses. At one of the most well known ET stations in Canada last year over 50 Friesian top mares were flushed.
If at first it looked like ET would remain the exception for the Friesian breed every day life has now proven the contrary. Last year embryo foals were born from among the top mares Olcha, Tetske and Setse. Also this year a number of surrogate mothers at various Friesian breeders' are those to delivering their embryo foals.

ET Explained

The name "embryo transfer" simply means the transfer of a very young (roughly seven-day old) fetus from a donor mare into a recipient mare. In laymen's terms, the fetus is called an embryo, but that term is not completely correct because we cannot yet speak of a complete individual. The only thing of which this embryo consists is namely a very small bubble with a size of 0.1 to 1 millimeter. This bubble is filled with several fast dividing cells. These cells eventually grow to be a complete individual. Therefore  it seems very spectacular, bat in practice it is not. lt really is nothing more than a special technique requiring tremendous precision and experience.   How does ET work in a horse?  A mare is bred or inseminated during her heat. The time of ovulation is watched carefully. On the sixth to seventh day from the time of ovulation, the vet­erinarian will flush the embryo out of the donor mare's uterus by using three liters of flush­ing liquid.This Flush­ing liquid is then filtered. The filtered fluid is further inves­tigated in the lab. Given that this embryo cannot be seen with the naked eye, every drop of fluid that is lost is a drop too many. In other words: this flushing requires the utmost accuracy as every milliliter counts. The embryo is looked for under the microscope and it is evaluated an quality and age by determining the number of cells and the stage of these cells. This evaluation takes place according to a strict protocol. The embryo is also washed several times before further processing takes place. Then the embryo is frozen or, if a suitable recipient is present, freshly transferred. In general: the larger (older) a flushed embryo is, the more sensitive it is, which will make for less favorable results. The donor mare can, however, not be flushed sooner than six days after the impregnation , because the embryo is not yet present in the uterus. lt is important for the recipient mare that she is almost in the same stage of cycling as the donor mare, i.e., not in heat. The transfer to the recipient (the actual transferring) can take place in two ways, namely with surgery or without surgery. In The Netherlands only the non-surgical method is permitted. During the transfer every unnecessary stimulus of the recipient's uterus needs to be avoided as best as possible. The eventual transfer is therefore a matter of lots of experience and that "special touch," because otherwise the mare will "break open." Then everything was for nothing.

ET Companies

In The Netherlands, in addition to Animal Health Faculty Utrecht, there are two specialized companies for ET for horses. The biggest is the Animal Embryo Center in Maria Hoop (prov­ince of Limburg). This company has over five years of experi­ence and is involved full time with ET for horses. lt is also the only official EU registered ET center in Europe. Recently the Animal Embryo Center had the opportunity to export frozen embryos for the American market. This year a second company, named Equine Embryo Service, started up in Asten (province of Noord-Brabant). Results of this company in the Dutch market are of course not yet known. In Belgium there are also a few ET companies. For Dutch breeders the closest company is in St. Niklaas. This company has been successfül for years with ET for horses but cannot freeze embryos.  

North American Friesian Magazine,  page 2,   JAN./FEB. 2007


ET Horses versus Cattle

In general the actual fertilization of an ovum with a sperm will take place in the oviduct. This oviduct forms the con­nection between the ovary and the uterus. Approximately six to seven days after the ovulation (post ovulation) the embryo descends into the uterus and will float around for some eight to nine days before it nestles in at a steady place for possibly pregnancy. Horses, compared to cattle, usually have only one (sometimes two) embryos descend and/or fertilized per cycle. Super ovulation in horses is, but for some exceptions, not yet possible. There is, however, a lot of research being done into it. For cattle, super ovulation is possible. Also for horses, in comparison with cattle, we usually deal with fertilized embryos. Horses respond to many things much differently than cattle. They are still animals of flight with all kinds of consequences in terms of handling, treatments, feed, etc. In conclusion, this means that ET in cattle is hard to compare with ET in horses. Also when looking at the cost the comparison is different. For cattle the cost per embryo is, of course, much lower than for horses. A cow usually renders many more embryos per flush than a horse.

Results

In 2005, over 450 ET flushes were done an horses in Maria Hoop. In total, more than 750 inseminations were performed. The biggest part of the harvested embryos were transferred fresh. The rest were frozen. The total result was above average. In general, with ET for horses there is an average rate of success of one in four. In other words: four times flushing and transfer­ring results in one pregnancy (25%). At the AEC in Maria Hoop the result was over 40%. The individual results of ET in horses can, however, vary greatly. Last year eight flushes were done an an older, very valuable stallion dam of which one embryo was successfully transferred. Another young, valuable stallion dam rendered five embryos in four flushes. 100% of the recipient mares became pregnant. The results of frozen embryos are in general a bit below that of freshly transferred embryos. On the other hand with frozen you are not dependent an the cycle of the recipient. Another advantage of frozen is that the company has to invest less in recipient mares. The latest, newest trend in ET for horses in The Netherlands is at a local level, so mares can be flushed for ET at an owner's house, and the embryos are then sent off by courier to so-called transfer stations. These stations have a large number of Surrogate mothers that are used for the eventual transfer. The big advantage of this method is that the embryo handling (lab) and the transfer can be performed by the real specialists with a lot of experience. This of course increases the end result for a successful ET.   What is important if a horse owner is considering ET for a mare? Realize that a good and successful result can be best achieved with a fertile mare and a fertile stallion. Fertile mares produce much better quality embryos that also nestle in better in the new uterus. When the donor's age reaches 15 years or older the results clearly go down. For a recipient mare there is also a certain measure of environment-so-called maternal and caring qualities. There is no influence an the genetic quality of the embryo. This maternal influence is restricted to a few months after birth. Still a surrogate needs to meet a number of demands. She needs to have a sufficiently good temperament, not be too small, not be too fat, and should, preferably, already have had a foal. Of course the mare needs to be in good shape gynecologically. Personally owned mares that are of lesser genetic quality can also be used as recipient mares. The big advantage of this is that the owner usually knows these mares well. In addition, the group of which the mare is part will not be bothered by "strange" horses. Flushing for ET can take place several times a year, not just during the normal season but also beyond that. The only condition is that the mare has good heat cycles. It is also possible at the start of the season to have the mare flushed for ET a few times and then to let the mare get pregnant after the last insemination. In general it is good to have the mare complete a normal pregnancy after a large number of flushes.

Future

Where it concerns ET in horses the experimental phase is clearly over and horse owners can now confidently take advantage of the expertise that is available, especially in The Netherlands. What advantage can ET in Friesian horses also have?    

Page 3

It is clear that ET in horses is only useful if the breeder uses valuable genetic donor mares. By getting several offspring per year out of these valuable mares it is possible in a shorter time to gain bigger genetic Progress than has been possible thus far. With ET, breeders have a better selection. In addition, the genera­tion gap is shortened. It is important that the mare owner has a clear breeding program in mind, because breeding is thinking in terms of generations. Breeding does not have to be gambling if the breeder knows what he/she wants. A horse breeder also needs to ask him/herself if they want to breed with a goal in mind or simply to increase horse numbers. A breeding program can be set up both by an individual breeder and by a studbook organization. In cattle and dog breeding, detailed breeding programs are very normal. The Progress in these breeding in­dustries is therefore quite substantial. If the Friesian breeders want to take a step forward then ET can play in important role. The fact that ET is used in Friesian horses, increasingly and with suc­cess, in North America can only be more reason to also apply this fertilization technique in The Netherlands.
 
Pros and Contras of ET

In practice it has been shown that ET in horses offers some advantages.
In conclusion these are the advantages:
         
- Several foals per horse per year are possible.           
- The mare can be used for sport and also produce foals/a foal.          
- Mares with pregnancy Problems can still produce offspring.           
- Two year old mares can also produce foals via embryos.    
- Valuable genetic potential can be frozen and saved, also for the long term -Valuable genetic material (embryos) can be stored cheap for the long term.
-  Frozen embryos are easy, simple, and relatively cheap to transport.
 
A relative disadvantage of ET in horses is that it is not cheap.
ET is thus only useful in horses with a high genetic value.
Also horse owners and veterinarians need to realize that not all fertility Problems in horses can be solved with ET.    

Drs. Ben Horsmans,  Equine veterinarian, www.horsmans.com

--------------------------------------------------------------------

Op deze pagina kunt U een aantal publicaties bekijken zoals die door   ondergetekende geschreven en gepubliceerd zijn in de Phryso, het officiële orgaan van de Koninklijke Vereniging "Het Friesch Paarden Stamboek" Nederland. Dit stamboek is tevens het moeder stamboek van alle Friesche paarden in de wereld.


In de Nederlandse Phryso zijn de volgende onderwerpen tot nu toe besproken:

De vet-gedrukte titels geven aan dat deze onderwerpen hier gepubliceerd zijn. De niet-vet gedrukte titels verschijnen binnenkort op deze website.

Phryso  maart 2005:                          De normale geboorte van het veulen

Phryso  april  2005:                               Wat kan er mis gaan bij de geboorte 

Phryso  mei  2005:                                 De vruchtbaarheid van uw merrie

Phryso  juni  2005:                                 De vruchtbaarheid van uw merrie (2)

Phryso  juli  2005:                                  Worminfecties bij paarden (special)

Phryso  augustus  2005:                     De aankoopkeuring van een Fries paard

Phryso november 2005:                        Castratie

Phryso februari 2006:                            Headshaking

Phryso april 2006:                                  Embryotransplantatie 

Phryso mei 2006:                                    OCD bij het (Friese) paard

   

Deze pagina werd voor het laatst bijgewerkt op zaterdag 14 oktober 2006.

In de Duitse taal zijn de onderwerpen geboorte en geboorte-problemen besproken in het Friesen-News, van mei 2005.

Tevens zijn of worden de bovengenoemde onderwerpen nog vertaald in het Frans en in het Engels voor de Amerikaanse uitgave van de Phryso




Phryso, maart 2005




Phryso, april 2005.
           
What can go wrong with your newborn foal?

The first days after the birth of your foal you couldn't be happier or more proud that everything went well. After waiting for eleven months you want to enjoy a healthy, viable foal that grows stronger and friskier every day. The belly of a healthy foal will get rounder around the clock, his muscles will develop day by day, he oozes health and has a beautiful coat. The lurking around the corner and the health status of a foal can change in the blink of an eye.

Reprinted with permission from the Phryso, April 2005 and translated for the Friesian by Equine Translation Services.

What can go wrong with your newborn foal?

If your foal looks a little lethargic, make sure that the mare has enough milk. Giving the foal an additional foal milk replacer will sometimes help for the foal. But be careful not to overfeed your foal, because this can have a negative effect on his growth and the development of his joints later on in life. Watch your foal closely, but don't be too critical too quickly. Your newborn foal may have some deformities in his leg confirmation; these will often correct themselves given a little time. Check your foal regularly and methodically and don't leave him (or her) to his own devices. After all, your foal has cost you a lot of money and time already.

Identify the symptoms

When your foal is born, a number of unwanted problems can become apparent and they need to be identified as soon as possible. Getting as much colostrum as possible immediately after birth is extremely important for your newborn foal, because it contains the all important antibodies. It is the foundation for a healthy foal. The so-called "foal shot" to prevent "foal illness" (commonly referred to as joint ill, navel ill, septic polyarthritis, septic epiphysitis and septic physitis) is no match for the effect of colostrum and good hygiene. Experienced breeders know this. If a foal gets enough colostrum early on, it can very well replace the foal shot that is often administered right after the birth of the foal. And although this shot often contains a tetanus serum in addition to the antibiotics, it can never replace the quality of the colostrum. Clinical supervision of the foal shortly afther his birth by your veterinarian is very important for the timely identification of problems.

Navel

We advise to regularly check the navel of your foal for sensitivity during the first week after his birth, because not only immediately after birth, but even until one or two weeks later, the foal may get a swollen painful navel. The cause can be an umbilical hernia (a protrusion of the abdominal lining, or a portion of abdominal organ(s) near the navel (belly button), but also an abscess (bacteria), working its way inside. Always consult your veterinarian in case of doubt. In case of an inflammation your vet will put your foal on antibiotics, which will dry up the belly button quickly and properly.

So remember that a painful and/or wet navel can point to an inflammation that may result in the dreaded foal illness. This illness goes hand in hand with one or more inflammations of the joints and is often fatal. The most common cause of this illness is an external bacterial infection, most often through the navel.

The problem is that the bacteria that entered the body will often accumulate in locations that do not have a sufficient blood circulation and thus not enough antibodies. Especially the joints are targeted by these bacteria. A cure is typically impossible.

Premature foals

Another phenomenon is a foal that is too weak or premature. This happens when the foal is born too early, didn't get enough nutrients immediately after birth and/or was kept out in the cold too long. Foals that suffer from these predicaments often make strange noises and show strange rhythmic movements and adopt strange postures that will often become more serious with time. In short- if you don't act quickly and get your foal an adequate, intense and rigorous treatment, it may be fatal.

Meconium constipation (retained meconium)

One of the first problems for a newborn foal is the so-called meconium constipation, which particularly strikes colts and late foals rather than fillies. The sticky, tar-like feces is sometimes difficult to pass and can harden and become impacted, causing the foal to strain to defecate and flag his tail back and forth. Nursing will often help the foal passing this sticky stool.

If this takes too long the foal will visibly strain to pass the stool and will start rolling on the ground frequently and show signs of colic. If the foal fails to defecate and becomes constipated or colicky, call a veterinarian! Your veterinarian can use a special enema with softening solutions that can be inserted directly in the foal's rectum. If this doesn't do the trick, it will be necessary to use a tube through the nose and insert a special remedy directly into the stomach. Never try to remove the meconium from the rectum yourself. This can be very dangerous and you probably won't be able to go deep enough anyway.

Bladder rupture

Rupture of the urinary bladder of newborn foals is thought to occur when pressure is applied to a distended full bladder during passage through the maternal pelvis. The rupture will not be noticeable until one to several days after the delivery. The foal will be lively and happy the first day(s), but will get an increasingly swollen belly shortly after birth. He will nurse less and will lay down frequently, ofthen with mild signs of colic. When you push against the belly carefully, you will notice a painful belly (balloon) filled with urine. Since the urine of the foal is practically sterile, it won't lead to fever right away. If you don't wait too long with treatment, surgery is still possible and will be succesful most of the time. Urine leakage from the navel (especially in colts) is another possible problem. At first it is often not recognized, because the posture of the colt looks like he is urinating "normally". But when you look closely, you'll see that the urine is coming from the navel. Right after the foal is born his bladder isn't completely closed yet, and thus has a second exit way through the navel. This problem will probably disappear as a matter of course; otherwise it requires surgery. A veterinarian should be consulted.

Mucus membranes

If you think your newborn foal doesn't look lively enough shortly after birth, his mucous membranes are a good indicator for possible problems. Just take a look at the color of the mucous membranes above the incisors in the upper jaw. The mucous membranes should be pink and the capillary refill time should be less than 2 seconds. To determine the capillary refill time, press on the foal's gums and determine the time required for the pink color to return. Pale or blue mucous membranes requires the use of ventilation techniques and nasal oxygen. Bright red mucous membranes (gums and conjunctiva) are often a sign of septicemia, toxic bacteria that gain access to the circulatory system. The primary routes of infection are the respiratory tract, gastrointestinal tract and umbilical cord, often before birth. This is truly an emergency and the sooner you contact your veterinarian, the bigger the chance of survival of your foal. Always ask for advice in case of doubt.

A  yellowish discoloration of the mucous membranes (icterus or jaundice) of an adequately nursing foal a few days afther birth is often a strong indication of a lactose intolerance of the mother milk (neonatal isoerythrolysis). If the mare has been exposed to the blood of her fetus (which can occur during late pregnancy or during parturition) during earlier, sometimes difficult deliveries, she will produce special antibodies in the mother milk (colostrums) in successive pregnancies and these foals will be at risk. When they drink the dam's colostrum, the antibodies are absorbed into the bloodstream of the digestive tract of the foal, and then attack and destroy the foal's red blood cells.

It is for the reasons above that the disease is seen only after the foal suckles and usually only in multiparous mares. The foal will generally be normal at birth and signs will only be observed after the foal has suckled from the mare. This can vary from 8-96 hours post-suckle. The more the foal drinks, the sicker he gets. It is important to isolate the foal from his mother and raise it temporarily with an artificial milk product or a substitute mare. Your veterinarian can generally diagnose neonatal isoerythrolysis based on the clinical signs. However, several tests that utilize the blood from the mare and foal or the mare's colostrums are available.

Pneumonia

Sometimes a foal will attract pneumonia in case of large fluctuations in temperature. A foal has a relatively larger body surface than an adult horse. As a result, the foal can also lose more body heat. Because foals will tire relatively faster and sleep most of their young lives, it may happen that they cool down too fast or too much, which of course increases the chance of pneumonia. If you have a bad feeling about your foal and you notice deviating behavior, take his temperature and contact your vet. Remember the following rule: When your horse or foal exhibits changes that are too large or too quick, they are often the cause of many problems. This not only refers to nutrition and movement but also to fluctuations in temperature. In many circumstances a  horse, and especially a foal, needs time to adjust.

Congenital defects

Sometimes a foal has a congenital defect. This doesn't always have to be hereditary and can disappear quickly. An example of a congenital AND hereditary defect is dwarfism in Friesian horses, an identifiable gene in the DNA structure that causes disproportionate features, unbalanced or unequal features. The foal may be viable or not. The first thought is often that it is a mini Friesian.

The lack of a rectum (atresia ani) is another example of a congenital defect. The rectum may be closed, or - in its most serious form - a piece of the intestines may be blocked or missing (colonic atresia). It is obvious that the latter doesn't give the foal much chance of survival. It is remarkable, however, that in this case the foal often remains quite vital during the first few days after his birth, but will show signs of colic and a large extended belly. Normal passage of the stool is impossible and it will become quite obvious why when you examine him.

Leg deformities

Many cases of ALD (angular leg deformities) will resolve themselves as a matter of course over time. Until recently, in the case of bowlegged or knock-kneed foals, hemicircumferential transection of the periosteum, the membrane of connective tissue, ('periosteal stripping') was used to try to correct this deformity shortly after birth. But experience showed that this procedure can be succesful for a deformity of the foot axis (from the fetlock joint down), but isn't really necessary in the case of bowlegged or knock-kneed legs. Foals with a deviating position in the womb (inra-uterine malposition) are often born with extremely straight or weak legs. Bandaging may help, but be careful with splints because these are often the cause of serious pressure point injuries. Sometimes it is possible to influence the elasticity of the tendons after birth with certain medications. Consult with your veterinarian.

It is incredible how quickly the foal can regain an almost normal leg confirmation with these medicines.

Friesian foals often have extremely straight legs, especially in the front, with the fetlock joint perpendicular on top of the pastern. Surgery may bring relief when you don't see improvement quickly enough. By cutting the so-called check ligament of the deep flexor tendon just below the knee, the deep flexor tendon will stretch somewhat and get relatively longer. The foal will be able to drop his fetlock joint closer to the ground and the foal's body weight will allow for additional stretching of the flexors in a regular ratio. Through controlled movements the foal can regain his natural leg conformation. Physiotherapy can help also.

It is important to verify if movement (pasture time) improves or worsens the situation and adjust your therapy accordingly.






Phryso, mei 2005.
                               

De vruchtbaarheid van uw merrie
    

Het succesvol fokken van Friese paarden is behalve van een goede hengstkeuze en de juiste begeleiding, vooral ook afhankelijk van de merrie. In deze Phryso en de volgende gaat het in deze rubriek over de vruchtbaarheid van uw merrie. Haar snel drachtig krijgen is van een aantal factoren afhankelijk. Het paard geldt nog steeds als een zogenaamde 'seasonal breeder', dat wil zeggen een seizoensgebonden fokdier. De ideale vruchtbare tijd begint bij het langer worden van de dagen en loopt normaal gesproken van het voorjaar tot het einde van de zomer. Dit neemt niet weg dat als de omstandigheden goed zijn, de merrie ook langere tijd gedurende de rest van het jaar hengstig kan worden.

Feit blijft dat de factoren licht (toename daglengte), omgevingstemperatuur en schouwen (het geluid van een hengst) veruit het meest bepalend zijn of de merrie goed hengstig wordt (in oestrus komt). Bekend is dat koud voorjaarsweer de goede doorgroei van follikels danig kan remmen. Via deze drie essentiële factoren komen prikkels via de hersenen van de merrie op gang en worden de eierstokken aangestuurd om actief te worden.




Daglengte en warmte hebben invloed op de hengstigheid van de merrie

Goed schouwen

Soms kunnen het op tijd warm indekken van de merrie en extra licht op stal ervoor zorgen dat deze startperiode in het voorjaar iets eerder op gang komt. Eén van de beste methodes die zeker voor het Friese paard heel effectief werkt is het goed schouwen van de merrie. Door dit schouwen wordt de merrie niet alleen veel beter hengstig, maar zet deze hengstigheid ook nog eens veel beter door. Soms krijg ik als practicus weleens het idee dat sommige fokkers denken dat alleen al door het opvoelen door de dierenarts, de merrie maar hengstig moet worden. Niets is minder waar. Schouwen is essentieel in een goede vruchtbaarheidsbegeleiding. Het kan bijvoorbeeld gebeuren met een ponyhengstje. Wel is het zaak dat u weet wanneer de merrie de juiste hengstigheidssymptomen laat zien. Afslaan bij het schouwen wordt door beginnende fokkers vaak als een teken van een startende hengstigheid gezien. U moet weten dat juist het tegenovergestelde het geval is. De juiste symptomen van een goede hengstigheid zijn onder andere een goede sta-reflex van de merrie, het zogenaamde 'knipogen' van de vulva en het uitgebreid staan plassen. Hoe troebeler de urine is die hierbij wordt afgezet, hoe idealer het punt van de eisprong (ovulatie) nadert. Een normale hengstigheid duurt gemiddeld tussen de 5 en 7 dagen.

Normale cyclus

De normale cyclus van de merrie in het seizoen is ongeveer drie weken. Dit betekent dat de periode van niet-hengstigheid (zgn. dioestrus) vijftien tot zestien dagen duurt, gevolgd door de periode van hengstigheid (oestrus) van globaal zes dagen. Tijdens een normale winterperiode heeft een merrie meestal inactieve eierstokken. Deze fase noemen we de anoestrus-fase. In deze anoestrus-fase heeft het hengstig spuiten van de merrie geen enkele zin omdat de normale activiteit van de eierstokken ontbreekt. Dit in tegenstelling tot de dioestrus-fase, waarbij het zgn. 'hengstig spuiten' wel degelijk effect kan hebben. Laten we echter uitgaan van een merrie die net geveulend heeft. Normaal gesproken (bij warmbloeden) treedt ongeveer negen dagen na de geboorte van het veulen bij de merrie de eerste hengstigheid op. Bij het Friese paard echter valt deze periode meestal iets later en moet u (vaak) rekenen op elf tot veertien dagen. Ook kunt u dit meestal herkennen aan de diarree die het pasgeboren veulen in die tijd krijgt. Behalve hormonen van de merrie welke via de melk overgaan naar het veulen, is een infectie met de veulenworm hoofdzakelijk verantwoordelijk voor deze diarree. Een eerste wormkuur voor het veulen op dat moment is dan ook heel belangrijk. Deze wormbesmetting kan ook via de stal optreden. Dat betekent dat een schone stal nog steeds heel belangrijk is. Met name het op tijd verwijderen van de mest is van groot belang om herbesmetting via de in deze mest uitgescheiden eieren en daaruit ontwikkelde larven te voorkomen. Gebruik voor het veulen een niet te sterke wormpasta en doseer niet te hoog. Sommige wormkuren mogen absoluut niet aan jonge veulens gegeven worden omdat deze soms fataal kunnen zijn. Vraag uw dierenarts om advies.












Follikel, kort voor de ovulatie







Dubbele follikel op de eierstok

Veulenhengstigheid

In het verleden werd meestal geadviseerd de veulenhengstigheid bij de merrie over te slaan en pas met de dekactiviteiten te beginnen bij de tweede hengstigheid (ongeveer dertig dagen). Echter, men gebruikt de veulenhengstigheid toch heel graag. Bekend is dat ovulatie (eisprong) vrijwel altijd optreedt, ongeacht de uitwendige symptomen van de merrie. Dit in tegenstelling tot de normale hengstigheidsperiode, die soms erg lang kan uitlopen (zeker bij de Fries) en zelfs kan eindigen zonder een echt goede ovulatie. Er zijn merries die na de veulenhengstigheid zelfs helemaal niet meer hengstig worden zolang zij door hun sterke melkproductie het veulen zogen. Voorwaarde voor het gebruik van de veulenhengstigheid voor de fokkerij is wel dat de geboorte zonder problemen verlopen is, de nageboorte snel (binnen twee uur) compleet afgekomen is en dat inseminatie of dekking  bij voorkeur niet binnen negen dagen na het veulenen plaatsvindt. Daarnaast moet de leeftijd en het aantal veulens dat de merrie gehad heeft meegewogen worden in de beslissing om in de veulenhengstigheid te insemineren of te dekken. Bij een oudere merrie (boven de twaalf jaar) die al meerdere veulens heeft gehad, zal het meer tijd vergen voor de baarmoeder zich van de geboorte hersteld heeft.

Hengstig spuiten

Over het algemeen kunnen we zeggen dat de kans op drachtig worden bij gebruik van de veulenhengstigheid iets groter is dan normaal. Echter, de kans op het drachtig blijven van de merrie is iets kleiner dan normaal. Met andere woorden, laat uw merrie naderhand wel nog een keer extra op drachtigheid  controleren als u van de veulenhengstigheid gebruik maakt. Een andere optie die veel wordt gebruikt is het hengstig spuiten op drie weken na het veulenen. Bij een normaal-cyclische merrie zal in de meeste gevallen op deze drie weken een mooi geel-lichaam op de eierstokken aanwezig zijn. Het toedienen van de hengstigheidsspuit zorgt ervoor dat dit geel-lichaam verdwijnt en de merrie na enkele dagen start met haar hengstigheidssymptomen. Ongeveer een week na het geven van de injectie is de ovulatie vaak een feit. Laat uw dierenarts dit controleren en volg zijn advies hierbij. U kunt natuurlijk ook de tweede hengstigheid na het veulenen afwachten. De merrie brengt het veulen dan weer in dezelfde periode als het huidige veulen, mits ze direct drachtig wordt.

Scannen

Door de merrie op te voelen en te scannen kan de dierenarts het ideale tijdstip om te insemineren / dekken vaststellen. In tegenstelling tot alleen opvoelen krijgt u door het scannen veel meer informatie met betrekking tot de baarmoeder en de eierstokken. Behalve voor het scannen van de eierstokken met de follikels (grootte, vorm en aantal) is vooral bij het Friese paard het scannen van de baarmoeder zelf van wezenlijk belang. Van de Fries is namelijk bekend dat tijdens de hengstigheid tamelijk snel, vrij vocht in de baarmoeder kan ontstaan. De hoeveelheid vrij vocht en de kwaliteit hiervan bepalen in sterke mate of het sperma, dat via dekking dan wel inseminatie in de baarmoeder terecht komt, overleven kan of niet. Met andere woorden, uw dierenarts zal u niet alleen kunnen adviseren over het juiste moment van insemineren, maar ook over de juiste toestand van de baarmoeder. Ideaal is het als de baarmoeder bij het scannen een mooie rad-structuur (een karrewiel met spaken) vertoont en dus geen vrij vocht bevat. Vrij vocht dat ook nog grijs van kleur is betekent heel vaak een geinfecteerde baarmoeder en meestal veel minder kans op succes.

Slijmmonster

Uw dierenarts zal in geval van twijfel over de aard en hoeveelheid vrij vocht in de baarmoeder meestal een slijmmonster nemen uit de baarmoeder. Op basis daarvan kan hij vaststellen of en welke infectueuze kiemen er te vinden zijn. Over het algemeen is het aan te bevelen om van een merrie die het afgelopen jaar niet drachtig geworden is, een  merrie die uitvloeiing vertoont en een merrie die na drie hengstigheden nog steeds niet opgenomen heeft, een slijmmonster te nemen. Dit monster dient bij voorkeur tijdens de hengstigheid, en dan liefst in het begin ervan, afgenomen te worden. In het laboratorium kan men bepalen of en zo ja welke bacteriën (en op speciaal verzoek schimmels en / of gisten) aanwezig zijn. Een bijkomend voordeel is dat via een gevoeligheidstest (antibiogram) het meest effectieve antibioticum voor de behandeling bepaald kan worden. Als in het begin van de hengstigheid gestart wordt met het nemen van een slijmmonster, dan kan met een beetje goede wil dezelfde hengstigheid gebruikt worden om de merrie al te behandelen. Bij de volgende hengstigheid wordt opnieuw een slijmmonster genomen ter controle van de toegepaste behandeling.

Mijn advies: Als u uw merrie meerdere keren zonder succes hebt laten insemineren, laat uw merrie dan verder onderzoeken. Nogmaals, goed scannen levert heel veel informatie op.








Antibiogram met resistente kiemen









Antibiogram met  nog gevoelige bacteriën

Weefselonderzoek

Een andere optie is het nemen van een biopt (stukje weefsel) van de baarmoeder. Bij dit weefselonderzoek kan men vooral een prognose geven betreffende de kwaliteit van de baarmoederwand. Nog een verdere onderzoeks-optie, die in toenemende mate terrein wint, is het spiegelen (bekijken) van de binnenkant van de baarmoeder, de zogenaamde hysteroskopie. Via een beweeglijke slang (endoskoop) bekijkt men gericht de baarmoeder, het slijmvlies en / of de eileider-ingang. Ook bestaat hiermee de mogelijkheid om grote cystes (verstopte klierbuisjes die drachtigheden kunnen beinvloeden) direct te verwijderen. Een ander voordeel van deze baarmoeder-endoskopie is dat eventueel via deze methode ook nog heel gericht op de eileider-ingang geinsemineerd kan worden (bijvoorbeeld bij duur diepvriessperma). Terugkomend op de normale praktijk kan ik zeggen dat als voorwaarde voor een succesvolle dracht vereist is dat een te dekken merrie schoon en optimaal hengstig moet zijn.

Ovulatie

Het liefst insemineert men gericht eenmaal kort voor de ovulatie. De gebruikelijke ovulatie vindt plaats op ongeveer tweederde van de hengstigheid, dat wil zeggen meestal dag vier tot vijf. Uitzonderingen kent eigenlijk ook wel iedereen. Afhankelijk van de buitentemperatuur gaat het soms vrij snel of duurt het soms heel lang voordat de follikel met de eicel erin springt. Een normale follikel op de eierstok ovuleert vaak bij een grootte van vier tot vijf centimeter. Vooral Friese merries kunnen zelfs follikels tot soms meer dan 5,5 centimeter doorsnede ontwikkelen, die dan ook nogal eens slecht willen ovuleren. Zoals hierboven ook is geschreven, de omgevingstemperatuur en het schouwen zijn belangrijke factoren voor de groei en ovulatie van de follikels. Vaak wordt te vroeg begonnen met insemineren. Dan moet men soms twee of drie keer na-insemineren of dekken, steeds om de twee dagen. De kans op vervuiling van de baarmoeder neemt dan alleen maar toe. Ook zijn er bepaalde merries die soms heftig reageren op de gebruikte spermaverdunner. Ook hier geldt dan, hoe meer insemineren, hoe meer problemen er kunnen optreden.








Scanbeeld van een zeer hengstige baarmoeder

Administratie

Belangrijk is dat tijdens het dekseizoen van elke merrie de juiste gegevens bijgehouden worden via een goede administratie, bijvoorbeeld de merrie- vruchtbaarheidskaarten. Hierbij vermeldt u behalve de juiste datum, ook de duur en intensiteit van elke hengstigheid, follikelgrootte, plaats van de follikel(s), behandelingen, medicijngebruik, scancontroles etcetera. Uw dierenarts kan u hierover meer uitleg geven. Een groot voordeel van de merriekaart is dat u snel een goed overzicht krijgt over de manier van ovulatie (bij welke follikelgrootte) en of een merrie bijvoorbeeld vaker één of meer follikels (en dus tweelingdracht-kansen) heeft ontwikkeld. Bekend is het gezegde: Eens een tweeling (embryo), vaker een tweeling (dracht) bij (dezelfde) merrie.












Phryso, juni 2005.
                            
 
De vruchtbaarheid van uw merrie

                  (deel 2)

Aansluitend op het eerste deel vorige maand en de actuele fokkerij-omstandigheden kan het voorjaar van 2005 worden gekenmerkt als een langzaam op gang komende 'koude start'. De hengstigheidsperiode bij onze Friese merries is langer dan gemiddeld in deze tijd van het jaar. Daarbij is vooral de koude buitentemperatuur van grote invloed.

Kort samengevat zet ik voor u nog eens op een rijtje wat er gebeurt als een gezonde en schone merrie bij normale hengstigheid wordt gedekt. Het geslachtsapparaat van de merrie bestaat uit twee eierstokken (een links en een rechts boven in de buikholte gelegen), twee eileiders, de baarmoeder, de vagina, uitlopend in de vulva en ook wel kling genoemd. In de eierstokken die onder hormonale invloed van o.a. de hersenen staan, worden de follikels (een vochtblaasje met daarin de eicel) geproduceerd. Afhankelijk van de grootte produceren deze follikels meer of minder het hormoon oestrogeen. Hoe groter de follikel, hoe meer oestrogeen en dus hoe meer hengstigheidsverschijnselen de merrie vertoont. Als de follikel voldoende groot is, springt deze open. Dan spreken we van de eisprong of ovulatie. De vrijgekomen eicel wordt opgevangen in de eileider, die de verbinding vormt met de baarmoeder.

Rondzwerven

In deze eileider vindt de echte bevruchting plaats van eicel met zaadcel en vormt zich het vruchtje, in de volksmond ook wel embryo genoemd. Dit embryo verblijft minimaal zes dagen in deze eileider. Als geen bevruchting plaatsvindt, blijft de onbevruchte eicel achter in de eileider. Na zes tot zeven dagen komt het embryo in de baarmoeder terecht. Na aankomst in de baarmoeder zwerft het embryo ongeveer tien dagen rond. Daarna gaat het zich innestelen in de baarmoederwand. De mate van innesteling in de baarmoederwand zorgt er via inwendige hormonen voor dat er een terugkoppeling plaatsvindt met de eierstok. De hormonen sturen dus een boodschap door of de merrie wel of niet meer hengstig wordt. In de eierstok heeft zich na de eisprong speciaal weefsel gevormd, precies op dezelfde plaats waar de follikel geovuleerd heeft. Dit speciaal weefsel noemt men het geel-lichaam. Het produceert het hormoon progesteron. Het geel-lichaam is tijdens het scannen goed te zien. Zolang het aanwezig is en dus progesteron wordt geproduceerd zal de merrie niet hengstig zijn. Andersom betekent de aanwezigheid van een geel-lichaam dat wel een ovulatie heeft plaatsgevonden. De merrie is dus hengstig geweest, ondanks dat u dit misschien niet heeft waargenomen.



Praktijk

Wat hebben we aan deze informatie voor de praktijk. Bijvoorbeeld, dat in sommige noodgevallen tussen dag twee en dag zes na de ovulatie de baarmoeder van een merrie nog heel goed te behandelen is om deze optimaal voor te bereiden op de komst van het embryo. De gebruikelijke behandeling van een geinfecteerde baarmoeder vindt uiteraard normaal gesproken in de cyclus voor de inseminatie / dekking plaats. In noodgevallen kan echter alsnog na de inseminatie / dekking een behandeling heel effectief worden toegepast. Waarom pas na een tot twee dagen? Omdat het eventuele verse sperma dan maximaal zijn werk heeft kunnen doen. Het embryo zit tot dag zes heel goed beschermd in de eileider. Het ondervindt geen schade van een baarmoederbehandeling. Een andere conclusie is dat embryo's spoelen voor embryotransplantatie voor dag zes geen zin heeft. Ze zijn gewoonweg nog niet aanwezig in de baarmoeder. Hoe langer bij embryotransplantatie wordt gewacht met het uitspoelen van het embryo, hoe groter het zal zijn en des te gevoeliger voor beschadiging. Met andere woorden, het ideale spoeltijdstip voor embryo-transplantatie is rond zeven dagen na de ovulatie en niet later.








Follikel, kort voor de ovulatie.










De eierstok van een merrie met kleine follikels.


Latere innesteling

Soms kan de innesteling van het embryo in de baarmoeder iets moeilijker / later verlopen dan gewenst. De merrie kan dan ondanks een drachtigheid (embryo in de baarmoeder), toch iets follikelgroei ontwikkelen. Hierdoor kunnen dan lichte hengstigheidsverschijnselen optreden. Als u deze merries alleen schouwt bij de hengst zullen ze niet echt afslaan, maar ook niet goed hengstig zijn. In zo'n geval is het altijd raadzaam om uw dierenarts te laten scannen en daarna pas verder actie te ondernemen. Bekend is dat tenminste tien tot vijftien procent van de drachtige merries toch nog eens min of meer hengstigheidsverschijnselen kunnen vertonen.

Wanneer scannen?

In principe kunt u vanaf dag twaalf na de ovulatie laten scannen om een eventuele drachtigheid vast te stellen. Zinvol is dit echter niet, omdat een minder goede innesteling zoals gezegd alles nog kan verstoren. De beste drachtigheidsscan kan plaatsvinden rond dag achttien. Het eerste voordeel hierbij is dat u een goed inzicht krijgt van een levensvatbaar vruchtblaasje. De echte vrucht is nog niet waarneembaar, wel de vruchtblaas die erbij hoort. Een tweede voordeel is, als de merrie niet drachtig blijkt te zijn, dat een goede inschatting mogelijk wordt van de volgende inseminatie / het volgende dektijdstip. Het derde voordeel is de controle op een eventuele tweelingdracht. In het algemeen geldt dat vanaf dag 24 het levende embryo zichtbaar is via scannen. Dan is de hartslag vn het embryo herkenbaar. Rond de negen weken dracht is het mogelijk om via het scannen eventueel een geslachtsbepaling (hengst / merrie) van het embryo te doen. Mocht het vermoeden bestaan dat u te maken krijgt met een tweelingdracht (bijvoorbeeld bij dubbele ovulatie of heel lang insemineren / dekken), dan is het zaak om zo vroeg mogelijk te scannen.








Goed scannen is belangrijk.

Bij voorkeur nog iets voor dag achttien. Hoe eerder de vrucht bij tweelingdracht ontdekt wordt, hoe gemakkelijker deze vaak door crushen (kapot drukken) te verwijderen is. Deze crushtechniek is alleen mogelijk als het twee goed van elkaar gescheiden embryo's betreft, die zich individueel laten behandelen. Embryo's die te kort bij elkaar of over elkaar liggen, zijn vaak niet te verwijderen. In sommige gevallen is ook op een later tijdstip via puncteren een tweelingdracht te behandelen. Dit vergt echter veel ervaring en kan alleen door specialisten worden uitgevoerd. Het laten uitdragen van een tweeling moet ten allen tijde worden ontraden vanwege de grote kans op complicaties / abortus bij de merrie. Ook is de kans op het uitdragen van een gezonde tweeling vrijwel nihil.

Luchtzuigen

Zoals vorige maand aangegeven zijn enkele veel voorkomende oorzaken voor het niet drachtig worden van de merrie behalve o.a. een verkeerd inseminatietijdstip, slecht sperma, baarmoederinfecties, te hoge melkproductie van de merrie, het mogelijk niet verdragen van de spermaverdunner etc., ook nog luchtzuigen, urinepooling en cystes. Luchtzuigen kan een paard op twee manieren overkomen. Het kan gebeuren aan de voorkant (door kribbebijten) en aan de achterkant. Dan zuigt de merrie lucht via de vagina naar binnen tijdens beweging. Dit laatste kan behalve op de prestatie, ook sterk nadelig werken op het drachtig worden van de merrie. Als de vulva niet goed afsluit (te groot, te slap en / of scheef staand) wordt door beweging lucht in de vagina richting baarmoedermond gezogen. Daarbij kunnen allerlei bacteriën etc. de baarmoeder infecteren. Infecties kunnen ook plaatsvinden door urine, die van een verzakte blaas niet helemaal meer naar buiten gebracht kan worden, maar terugloopt richting baarmoederingang. Een rest urine (urinepooling) kan als gevolg hiervan eindigen in de baarmoeder, met alle nadelige gevolgen van dien. Hoe ouder de merrie, hoe groter de kans op uitzakken van de baarmoeder, en dus hoe meer kans op luchtzuigen en urinepooling. Als oplossing voor luchtzuigen is het goed mogelijk om via een eenvoudige (Casslick-operatie) of een omvangrijke (Benesh- operatie) de vulvaopening iets te verkleinen en zo het probleem te verhelpen. Zelfs sportpaarden kunnen van deze operaties vaak veel voordeel hebben. In de praktijk wordt de Casslick-operatie het meest uitgevoerd. Onder verdoving wordt een klein stukje rand van de vulva afgesneden en daarna aan elkaar gehecht. De kleine opening die over blijft is genoeg om urine af te voeren. In de praktijk wordt vaak direct na de laatste keer insemineren of dekken de vulva eerst tijdelijk (bijvoorbeeld met nietjes) dichtgezet. Daarna wordt gewacht tot de drachtigheidsscan op achttien dagen.

Een uitgevoerde Casslick-operatie.   Als de drachtigheidsscan positief is wordt de definitieve Casslick-operatie uitgevoerd. Het zou namelijk kunnen zijn dat de merrie ondanks alles toch niet drachtig is en men alles weer open moet maken. Een goed onderzoek door uw dierenarts van het uit- en inwendig geslachtsapparaat van de merrie helpt vaak veel problemen te voorkomen. Het openmaken van de gehechte vulva gebeurt meestal kort voor de geboorte van het veulen.

Cystes

Een andere oorzaak voor het niet drachtig worden van de merrie kan de aanwezigheid van baarmoedercystes zijn. In het algemeen wordt met een cyste een holte bedoeld (bijvoorbeeld een botcyste is een holte in het bot). Een cyste in de baarmoeder is een met vocht gevuld blaasje waarbij het vocht afkomstig is van slijmvliesklieren. Anders gezegd, een cyste in de baarmoeder is dus niets anders dan een verstopte afvoer van een slijmvliesklier. Vaak ziet men kleine cystes tijdens het scannen van de baarmoeder. Het aantal neemt toe naarmate de merrie ouder wordt, zo ook de kans op verstopte klieren. Die wordt op oudere leeftijd ook steeds groter. Over het algemeen gaan we ervan uit dat een of enkele kleine baarmoedercystes geen belemmering hoeven te zijn voor het drachtig worden van de merrie. Te veel en te grote cystes zijn echter wel degelijk nadelig voor de drachtigheid. Ze dienen (indien mogelijk) verwijderd te worden. Door een baarmoeder-kijkoperatie (hysteroskopie) kunnen deze cystes meestal helemaal en zonder problemen eenvoudig weg worden gehaald. Ook belangrijk te vermelden is dat kleinere baarmoedercystes verwarrend kunnen werken op de drachtigheidsdiagnose. In het beginstadium van de dracht is via de scanner geen verschil te zien tussen een vroege vruchtblaas en een cyste. Alleen door de grootte van de vruchtblaas te meten en deze te relateren aan de leeftijd, kan nagegaan worden of het een cyste betreft of vrucht. Bij twijfel moet korte tijd later alsnog een keer opnieuw worden gescand. Bij drachtigheid is dan een duidelijke groei van de vruchtblaas waarneembaar. Een cyste blijft meestal gelijk in grootte.


Grote cyste in de baarmoeder.

Kleine abcesjes in de baarmoeder.

Veulen van 60 dagen in de baarmoeder.

Endometrium-cups

Tot slot nog een typisch fenomeen dat alleen maar bij het paard voorkomt, de endometrium-cups.

Deze hormoonproducerende kleine strukturen komen heel specifiek bij het paard voor. Ze zijn te vinden op de baarmoederwand rond het ongeboren veulen en produceren het typische hormoon ECG (Equine Chorion Gonadotrophin), vroeger ook wel PMSG genoemd. Dit hormoon zorgt ervoor dat de (iets oudere) dracht in stand gehouden kan worden en ondersteunt actief de extra aanmaak van secundaire gele lichaampjes op de eierstokken. Vanaf dag 35 wordt dit hormoon geproduceerd en blijft aanwezig en actief tot ongeveer dag 150 van de dracht. Hierna neemt de nageboorte van het veulen de productie van progesteron op zich. De eierstok heeft dan in principe geen invloed meer op het verloop van de dracht. Deze vaak ingewikkelde afwisseling van hormoonklieren betekent ook dat soms weleens iets niet optimaal verloopt en dus een drachtigheid (onopgemerkt) verloren gaat. Als dit in een vroeg stadium van de dracht plaatsvindt, spreken we van VES (vroege embryonale sterfte), in een later stadium van abortus.

Ik zou u willen aanraden om uw merrie tenminste drie maal per seizoen door uw dierenarts op dracht te laten controleren. De eerste keer op achttien dagen, de tweede keer op zes tot twaalf weken en de derde keer in de winterperiode. U voorkomt daarmee dat u, zoals toch meer dan eens gebeurt, gaat waken bij een merrie die helemaal niet drachtig blijkt te zijn. Het is een fabeltje dat door het vaak scannen van de vrucht deze daarvan schade zou ondervinden. De hormonale omschakeling is zoals aangegeven de oorzaak van een eerder gescande dracht die later toch verdwenen is. Een merrie die achteraf helemaal niet drachtig blijkt te zijn, is niet alleen zonde van het geld, maar ook nog eens slecht voor het opnieuw drachtig worden. Ik hoop dat u door deze beide afleveringen wat meer inzicht hebt gekregen in de vruchtbaarheid van de merrie.

Veel succes dit seizoen!




Phryso juli 2005   

Worminfecties: één kuurtje is niet genoeg

Uit de dagelijkse praktijk blijkt dat paardeneigenaren nog te vaak onvoldoende aandacht besteden aan worminfecties. Meestal wordt alleen gevraagd hoe vaak een paard ontwormd moet worden en denkt men dat bij het geven van een wormkuur daarmee het leed geleden is. Vooral voor het jonge, opgroeiende Friese paard kan onachtzaamheid bij de bestrijding van worminfecties een verwoestende uitwerking hebben.

Dauwdruppels kunnen wormenlarven bevatten

Veel paarden op een klein oppervlak vergroot het risico op worminfecties

U moet zich realiseren dat veruit de meeste wormkuren uitsluitend volwassen wormen in de darm aanpakken. Ze bewerkstelligen dus vaak maar een tijdelijke reductie van het wormbestand in het paard. Een wormkuur werkt maar heel kort, meestal één tot twee dagen. Valt het u niet steeds meer op dat ondanks de wormkuren die in de praktijk regelmatig gegeven worden, sommige paarden vaak toch slecht verharen en maar weinig 'vlees' willen krijgen? Het tonen van het zogenaamde 'dakformaat' (borstkas plat en spits, buik rond en vol) kan bij veel jonge paarden een sterke aanwijzing zijn voor een worminfectie. Een taaie, dunne, strakke huid / onderhuid op de ribben is vaak ook een indicatie.

Het leven van de worm

Er zijn verschillende types wormen die allemaal een bepaalde cyclus doormaken. Een volwassen worm in het maagdarmkanaal van een paard produceert eieren, heel veel eieren zelfs. Deze eieren komen met de mest vervolgens op het land, in de stal en/of op de paddock terecht. Als de omstandigheden (warmte en luchtvochtigheid) goed genoeg zijn, ontstaan uit deze eieren larven. Het paard kan, afhankelijk van de wormsoort, wormeieren of larven opnemen. De larven gaan via bepaalde vervellingsstadia over in infectueuze larven. Het zijn vooral de larven die onder andere op de toppen van grassprieten (dauwdruppels) wachten tot het paard ze met een hap gras opneemt. In het maagdarmkanaal groeien ze vervolgens weer uit tot volwassen wormen en is de circel gesloten. Ook kunnen (afhankelijk van de soort worm) de infectueuze larven door het hele paardenlichaam gaan zwerven. Larven zijn dan ook vaak terug te vinden in de buikholte, middenrif, (buik)spieren, longen, lever, hart etcetera. Wormen en larven zijn hongerige types. Een paard met een stevige worminfectie is herkenbaar aan sterke vermagering, slechte groei en prestaties, koliekverschijnselen, diarree, verhoogde ziektegevoeligheid, bloedarmoede en zo meer. Hoge onderzoeks- en behandelkosten vormen de indirecte schade, net als de vaak onbewust sterk verhoogde voederkosten (het paard wil niet groeien> hup een schepje erbij) en het besmettingsgevaar voor de andere paarden. Welke wormen komen zoal voor bij het paard en welke zijn in de praktijk de belangrijkste?

Wormlarve in het lichaamsvet van het paard

Spoelwormen

Verreweg het meest komt de groep van de spoelwormen voor. Hun leven loopt zoals hierboven omschreven. U herkent de volwassen spoelworm aan de witte kleur en de duidelijk langgerekte ronde vorm met naar beide kanten spits uitlopende punten. In verse mest kan men hem goed waarnemen en ze kunnen gemakkelijk vijftien tot twintig centimeter lang worden. In oudere mest zijn ze bijna niet te herkennen. Controleer dus altijd de verse mest van uw paard op wormen en bij voorkeur één tot twee dagen nadat u een wormkuur heeft gegeven. Een mestmonster voor controle op wormen moet altijd zo vers mogelijk zijn. De schade door de spoelworm is groot omdat ze de normale voedselvertering ernstig kunnen beinvloeden (diarree etcetera). Als ze in grote getale voorkomen, kunnen ze koliek en zelfs het kapotspringen van de darm veroorzaken. De rondtrekkende larven van de spoelworm kunnen daarnaast in het paardenlichaam vaak veel indirecte schade aanrichten. Het spreekt voor zich dat een gesprongen darm (en dus uw Fries) niet meer te redden is.

Grote strongyliden

De tweede wormsoort die we bij het paard aantreffen is de grote strongylide of bloedworm. De meest beruchte uit deze groep is de Strongylus Vulgaris. De cyclus van deze worm lijkt veel op die van de normale spoelworm, met het grote verschil dat de larven van deze worm zich binnen in het paard, via de wand van de bloedvaten, een weg naar boven zoekt. Bovenin de buikholte (dus onder de rug) aangekomen, veroorzaken deze wormlarven een vaak heftige bloedvat-wandontsteking (woekering). Deze woekering is bekend onder de naam wormaneurysma en kan heel ernstige gevolgen voor het paard hebben. Typische verschijnselen zijn regelmatig terugkerende kolieken, darminfarcten en soms plotselinge dood. Is een wormaneurysma eenmaal aanwezig, dan kan dit levenslang blijven zitten. Een echt afdoende behandeling is vaak niet goed mogelijk. Preventie door een effectief ontwormingsplan is het belangrijkste om deze gevaarlijke parasiet te weren.

Kleine strongyliden

Net als de grote strongyliden volgen ook de kleine strongyliden meestal de normale cyclus van ei via larve naar volwassen worm. Maar ook zij kennen een aparte 'aanpassing'. Wat is het geval? Vooral de wormlarven van de kleine strongyliden nestelen zich in het slijmvlies van de darmwand. Ze kunnen deze ernstig veranderen en zo de normale vertering sterk benadelen. In tegenstelling tot de andere wormen blijven de larven van deze parasiet opgeslagen in het darmslijmvlies van het paard. Twee keer per jaar komen deze larven vaak massaal en plotseling vrij uit het darmslijmvlies. Ze veroorzaken hierdoor een vaak heel zware diarree, die binnen enkele dagen tot ernstige uitdrogingsverschijnselen bij het paard leidt met alle gevolgen van dien. Vooral in de periode najaar - voorjaar is een paard dat te mager is en plotseling waterdunne diarree heeft een reden om dringend uw dierenarts te raadplegen. In sommige  gevallen is een infuus nodig om het dier te redden. De larven zijn herkenbaar aan de vaak als proppen voorkomende roodachtige en sikkelvormige kleine wormpjes. Het lijkt soms of er wat bloed op de verse paardenmest zit, maar dat zijn de wormen zelf. Buiten deze periodes spelen de kleine strongyliden meestal een minder belangrijke rol.

Wormlarve aan de binnenkant van de borstkas

Maaghorzellarven

In de zomermaanden is de paardenhorzel actief. Hij kan niet steken, maar vliegt langs de paardenbenen en spuit van korte afstand met kracht vele tientallen eitjes richting paard. Paarden ervaren het geluid van de paardenhorzel als erg irritant en kunnen hierdoor flink onrustig worden. Deze eitjes, die aan de benen en of manen van het paard erg strak vastzitten, beginnen in de nazomer jeuk te veroorzaken. Paarden strijken met het hoofd langs hun benen en zo komen de eitjes in de mond van het paard terecht. Daar ontstaan uit de eieren larven. Gedurende het najaar kruipen deze larven via de slokdarmwand naar de maag. In de maag hechten deze coconachtige larven zich aan het maagslijmvlies. Hier overwinteren ze. In het voorjaar laat de coconlarve de maagwand los en komt via de mest naar buiten. De larve vervelt in het (warme) voorjaar nog een keer in de bodem van de wei en dan wordt de nieuwe paardenhorzel de wereld ingestuurd. Zo is de cyclus weer rond. Echt grote schade veroorzaakt de paardenhorzellarve meestal niet. Toch is bestrijding gewenst. Heeft een paard er veel, dan vermindert de totale voedselvertering en is ook de jeuk een lastig verschijnsel. Signaleren we de gele eitjes aan manen en benen, dan is dat meestal geen teken van optimale verzorging. Ze zijn niet eenvoudig te verwijderen. De bestrijding van deze parasiet vindt plaats via het verwijderen van de eitjes, maar eigenlijk het beste met een wormkuur die in de winter eenmalig gegeven wordt. Gedurende de rest van het jaar zijn deze wormen niet in het paard aanwezig en hoeft u dus hiertegen niet te behandelen.

Veulenworm

De veulenworm is ook weer een speciaal geval. De infectie met deze worm verloopt via de merriemelk en via de huid van het pasgeboren veulen. Bekend is dat het veulen rond de negende tot tiende dag na de geboorte (de eerste hengstigheid van de merrie) te maken kan krijgen met diarree. Behalve de hormonen van de hengstige merrie is ook de veulenworm hiervoor deels verantwoordelijk. Het is belangrijk om de plaats / stal waar het pasgeboren veulen verblijft, vooral de eerste tijd na de geboorte zo schoon mogelijk te houden. De veulenworm kan gemakkelijk vanuit de mest van de merrie door de huid van het veulen dringen. Behalve diarree kunnen deze veulens flink vatbaar voor ziekten zijn en eventueel achterstand in de groei gaan vertonen. Ook hoestende veulens met een slecht haarkleed zijn verdacht. Ter behandeling is het aan te bevelen om tijdens de veulenhengstigheid veulen en merrie voor de eerste keer te ontwormen. Raadpleeg bij langer dan normaal aanhoudende diarree uw dierenarts. Hij kan, los van medicijnen of wormkuur, tevens zijn oordeel geven over de totale gezondheid van het veulen.

Infectueuze wormlarven op de ophangband van de darmen

Lintworm in opmars

De lintworm is duidelijk in opmars. Schattingen lopen al op tot een besmettings-graad van meer dan 35 procent van de gehele paardenstapel. Lintworminfecties zijn moeilijk te ontdekken bij een normaal 'gezond' paard. Alleen bij het aantreffen van duidelijk witte 'staart'-stukjes in de mest is de diagnose duidelijk. U herkent de kleine witte 'stukjes' aan hun platte vorm. Ze kunnen heel langzaam bewegen. Het is niet de eerste keer dat tijdens het opvoelen voor drachtigheidscontrole, in de verse mest de diagnose 'lintworm' gesteld wordt. Ook bij Friese paarden komen regelmatig lintwormen voor. Op het eerste gezicht zijn de paarden helemaal niet verdacht en hebben ze eigenlijk zichtbaar geen last van deze parasiet. Toch is het dringende advies een behandeling instellen, want de verspreiding van deze gevaarlijke parasiet gaat steeds verder. De cyclus gaat via een 'staartstukje' dat vol eieren zit en op het land terecht komt. Daar aangekomen worden de eieren opgenomen door de grasmijt, een natuurlijke weideparasiet. Samen met deze parasiet (mijt) komt het lintwormei met het gras mee in het paard terecht. Daar ontwikkelt zich de zogenaamde 'vin', de lintwormlarve, en na een aantal omzwervingen groeit in de darm de echte lintworm met een duidelijke kop en staart verder uit. Wat is het grote gevaar van de lintworm? Behalve bij een ernstige besmetting met alle nare gevolgen van dien speelt de lintworm een heel grote rol bij veel koliekproblemen. Hij verzamelt zich met name op de overgang van dunne- naar blindedarm en veroorzaakt meer dan eens flinke, aanhoudende koliek (krampen en verstoppingen). Omdat de uitscheiding erg varieert zijn de eieren van de lintworm niet altijd te vinden. Met andere woorden, een herhaald mestonderzoek om lintwormen op te sporen is van groot belang.

Longworm

Over het algemeen is de longworm voor het paard van minder belang. De tussengastheer voor de longworm bij het paard is de ezel. Risico op longworminfecties bij het paard bestaan dan ook alleen als u paarden en ezels gezamenlijk huisvest (op stal / in de wei). Longwormen veroorzaken vooral hoest en uiteindelijk onder andere sterke vermagering. De meeste wormkuren (Ivermectines) hebben een goede werking tegen longwormen. Zo blijft de schade beperkt.

Ontwormen

Hoewel Nederlanders meestal naar de prijs kijken, doet u er goed aan bij de aanschaf van wormkuren vooral op de werkzame stof en dosering die vermeld staat te letten. Er wordt vaak gevraagd of regelmatig van wormkuren moet worden gewisseld of niet. Het beste is ontwormen zoveel mogelijk bij alle paarden tegelijk. Controleer één tot twee dagen na de wormkuur de mest. Ook (gezamenlijk) omweiden gebeurt het beste enkele dagen na de ontworming. Als u duidelijk wormen ontdekt in de mest, dan adviseer ik meestal korte tijd later opnieuw een wormkuur te geven. Geloof niet te snel dat u in de praktijk ooit een paard helemaal wormvrij krijgt of houdt.

Fijne pasta

Let bij het geven van de wormkuur (in de meeste gevallen pasta) erop dat het paard de pasta ook helemaal opneemt. Doseer niet te laag. Sommige paarden presteren het in de praktijk om de pasta niet door te slikken, maar ergens anders weer uit hun mond te laten vallen. In de meeste gevallen zijn de wormkuren voor normale paarden heel veilig en kan een lichte overdosering geen kwaad. De uitzondering vormt Moxidectine (Equest), die voor veulens absoluut niet gebruikt mag worden.

Volwassen spoelwormen in de dunne darm van een paard

Overige anti-worm-maatregelen

De wormkuur zelf is één onderdeel van de wormenbestrijding. Vertrouw niet alleen op deze methode, pas gecombineerde maatregelen toe. Dat zijn regelmatig omweiden naar een schoon weiland, het dagelijks verwijderen van de mest uit het land en gebruik (begrazing) van andere diersoorten op de paardenwei. Regelmatig weilanden scheuren (omploegen) en hooien van paardenweiland zijn daarnaast belangrijke maatregelen om de naar mijn mening steeds grotere verspreiding van paardenwormen tegen te gaan. Ook op stal kunnen wel degelijk worminfecties optreden. Dus ook daar geldt, een goed schone stal is belangrijk. Vooral het gebruik van schapen op de paardenwei is heel goed. Op een enkele uitzondering na zijn er vrijwel geen nadelen aan de combinatie schaap en paard. Het weiland wordt ook beter onderhouden door het gebruik van schapen.

Wat zit er in de wormspuit?

In ontwormingsmiddelen bevinden zich vaak de volgende grote groepen werkzame stoffen.

1a. Ivermectine (Eqvalan, Ivomec, Eraquel, Normectine, Furexel etc.) werkt goed tegen de volwassen wormen en maaghorzellarven, enigszins tegen larven en niet tegen lintwormen.

1b. Moxidectine (Equest), werkt goed tegen volwassen wormen, daarnaast sterker tegen larven en ook maaghorzellarven. Werkt niet tegen lintwormen. Let op: deze wormkuur niet bij veulens gebruiken. Deze wormkuur is door de versterkte werking tegen wormlarven veel effectiever en heeft dus langer effect tot gevolg.

2. Pyrantel-wormkuren werken alleen en redelijk tot goed tegen volwassen wormen. Dus niet tegen maaghorzellarven en alleen in erg hoge doseringen enigszins tegen lintwormen. Gezien de prijs (goedkoop) wordt deze wormkuur vaak ingezet. De totale werking is echter duidelijk minder in vergelijking met de Ivermectine en moxidectine.

3. Benzimidazolen (Panacur etc.)> voor deze stoffen geldt dat er veel resistentie (onwerkzaamheid) tegen bestaat bij de meeste wormen. Tegen lintwormen werken deze stoffen ook niet. Gebruik is nog wel mogelijk voor de bestrijding van de veulenworm.

4. Sinds kort is voor paarden de speciale werkzame stof Praziquantel op de markt. Deze stof werkt alleen tegen lintwormen. In combinatie met Ivermectine (Equimax, Eqvalan Duo) is dit voor de praktijk een heel goed bruikbare wormkuur. De kwaliteit billijkt de hogere prijs van deze wormkuren.

Ontwormingsplan

Ontworm regelmatig en afhankelijk van de infectiedruk tenminste vier tot zes keer per jaar. De eerste keus middelen zijn nog steeds de Ivermectines en de Moxidectines. Een of twee keer per jaar in combinatie met een anti-lintworm-middel is daarnaast de beste keus.

Mestonderzoek

Om te controleren of uw maatregelen effectief zijn kunt u een mestonderzoek laten doen. Als een normaal mestonderzoek onvoldoende resultaat oplevert en u toch denkt dat uw paarden een wormprobleem hebben, is soms via bloedonderzoek nog een diagnose mogelijk. Vraag uw dierenarts hierover advies. Hij kan u bij probleemgevallen ook adviseren over nog andere mogelijke ontwormingsmethodes.


Tot slot

In mijn dagelijkse praktijk blijkt dat ondanks de vele wormkuren die worden gegeven, toch nog teveel paarden last van worminfecties hebben. U moet bedenken dat voor met name paarden in de groei worminfecties zeer nadelig kunnen uitpakken. Wormschade in de jeugd opgelopen, is bijna niet meer te herstellen. Vooral dus in de opfok heel serieus aandacht besteden aan een goed ontwormingsplan. Pas dit ook vooral in combinatie met de overige genoemde weidemaatregelen toe. Oudere paarden hebben meestal wat meer weerstand tegen wormen. Investeer dus vooral in de jeugd !

Met dank aan de heer H. Theunissen uit Maasbracht (preparaten).

                                                     

Copyright by Ben HorsmansPhryso nov. 2005        Castratie                        

Castratie

De castratie van een hengst is een operatie die (na)zorg vereist. Er zijn verschillende methoden om hengsten te castreren. Grofweg gezegd is er een onderscheid tussen een castratie die bij een liggend paard wordt uitgevoerd en een castratie bij een paard dat staat. Daarnaast kan de dierenarts kiezen uit de bedekte, half bedekte en onbedekte castratie.

Hoe langer wordt gewacht met een hengst te castreren, hoe langer het paard het gedrag vertoont dat hij voor de castratie aan de dag legde. Ongewenst hengstengedrag is vaak doorslaggevend in de beslissing of het dier moet worden gecastreerd. Bekend is de discussie over het tijdstip van een castratie en de invloed op de lichaamsgrootte. Als de castratie wordt uitgesteld, zullen de mannelijke geslachtshormonen, zoals testosteron, de groei(schijven) in de botten doen afrijpen en dus sluiten. Deze groeischijven zitten aan de uiteinden van de lange botten en zijn verantwoordelijk voor de lengtegroei van het paard. Onder invloed van testosteron wordt het paard botrijp. Hierdoor stopt de normale lichaamsgroei. Bij een paard dat relatief vroeg wordt gecastreerd, in elk geval voor de geslachtsrijpheid, zal de botrijping in een later stadium plaatsvinden en wordt de lengtegroei verlengd. Vergeet echter niet dat de echte lichaamsgrootte van het paard genetisch is bepaald. Het vroeger of later sluiten van de groeischijven is van marginale invloed.


Castreren of niet?

Liggend of staand

Grofweg gezegd kan een onderscheid worden gemaakt tussen een castratie waarbij het paard onder volledige narcose ligt of een castratie die bij een staand paard wordt uitgevoerd. Beide methoden hebben voor- en nadelen. Geadviseerd wordt om hengsten ouder dan drie jaar, hengsten met erg grote testikels, met afwijkende liesopeningen en klophengsten altijd onder volledige narcose en dus liggend te castreren. Bij een liggend paard kan de dierenarts het gehele operatieveld beter overzien en kan er schoner (sterieler) worden gewerkt. In noodsituaties kan snel worden ingegrepen. Ook het risico voor de opererende dierenarts is minimaal. Paarden lijden het minste van deze operatiemethode.  De hogere kostprijs en het risico van de algehele narcose vormen soms wel een obstakel. De algehele narcose brengt, in vergelijking met andere rassen, voor Friese paarden een groter risico met zich mee. De wondgenezing verloopt na een liggende operatie over het algemeen beter. In de dagelijkse praktijk wordt de staande castratie echter nog geregeld toegepast. De laatste ontwikkeling op dit gebied is een staande castratie met een operatietechniek vanuit de zijkant van de buik. De zaadleider en de bloedvaten worden via een kijkoperatie (endoscoop) in de buikholte afgeklemd. Via de ontstane buikwandopening worden de testikels verwijderd. De behandelende dierenarts kan de testikels ook achterlaten in de buikholte waar ze vervolgens verschrompelen. Deze nieuwe, staande operatietechniek mag alleen in een kliniek plaatsvinden. De lange termijnresultaten van deze methode zijn nog niet bekend. De reguliere methode waarbij de toekomstige ruin staat, kent, mits goed uitgevoerd, enkele voordelen in vergelijking met de methode waarbij het paard ligt. Met de juiste techniek en een goede beheersing is deze methode vlot en relatief goedkoop. De operatie vindt meestal thuis plaats, in de vertrouwde omgeving van het paard. Nadelen zijn het enigszins vergrote risico voor de dierenarts, minder goed overzicht over de operatiewond en daardoor mogelijk, een iets minder steriele werkwijze. Bij onverwachte complicaties zoals liesbreuken en darmprolapsen, waarbij de darm via het lieskanaal naar buiten komt, is snel ingrijpen op een thuislocatie niet altijd mogelijk. Dat kan, in een slecht scenario, consequenties hebben.

Staande castratie Methoden         Bij de staande castratie kan een dierenarts drie verschillende methoden toepassen. Ze worden de bedekte, half bedekte en onbedekte castratie genoemd. Bij alle methoden maakt de dierenarts gebruik van een castreertang waarbij zaadstreng en de bijbehorende bloedvaten worden afgeklemd of gekneusd. Daarna wordt wel of niet het geheel met hechtdraad dichtgebonden. Het scrotum, ofwel de balzakhuid, wordt over het algemeen niet gehecht omdat  wondvocht zoveel mogelijk naar buiten moet kunnen afvloeien. Het verschil in de drie genoemde methoden zit in de vraag of de buikholte moet worden geopend en zo ja, wanneer. Bij de bedekte methode snijdt de dierenarts de huid van het scrotum in en worden de door het buikvlies bedekte testikels niet ingesneden. Hierna worden de zaadleiders met bloedvaten door de castreertang afgeklemd en gekneusd. Door in deze afgeklemde inkeping met een hechtdraad de testikels verder af te binden en af te snijden, castreert de dierenarts bedekt. De buikholte wordt bij de bedekte methode niet geopend en dat is een groot voordeel. Nadeel is dat niet altijd kan worden beoordeeld of beide testikels zijn afgebonden of afgesneden.  Misschien is een andere 

structuur onder handen genomen. Om die reden wordt in de praktijk de bedekte methode vrijwel niet meer toegepast. Bij de halfbedekte methode (foto 4) snijdt de dierenarts in het scrotum en het buikvlies. Hij opent dus de buikholte. Dat kun je zien aan het waterige buikvocht dat uit de buikholte lekt. Na dit insnijden maakt de dierenarts de scrotumhuid goed los van de onderhuid en plaatst hij de castreertang boven de testikels op de zaadleiders met de bloedvaten. De ingesneden buikvliesrand mag niet mee worden gekneusd. Op de plaats van de kneuzing (inkeping) wordt de hechtdraad gelegd (foto 5) en snijdt de dierenarts de onderhangende delen af. Kenmerkend bij de halfbedekte methode is de opening van de buikholte waardoor de testikels goed zichtbaar zijn en, direct daarna, het sluiten van die holte met hechtdraad. Een mogelijke infectie richting buikholte is bij deze methode minimaal. Tijdens de operatie heeft de dierenarts een optimaal zicht op de testikels. De halfbedekte methode geniet bij de meeste dierenartsen de absolute voorkeur. Bij de onbedekte methode opent de dierenarts de buikholte en plaatst hij de castreertang op de onbedekte zaadstrengen en bloedvaten. Hierna wordt de hechtdraad aangebracht en blijft de buikholte volledig open. Bij een eventuele infectie later bestaat de kans dat de buikholte geinfecteerd raakt, met alle (levensgevaarlijke) gevolgen van dien. Sommige dierenartsen castreren hengsten met de halfbedekte methode en gebruiken dan twee castreertangen langs elkaar. Op de kneuzingplaatsen van zaadleiders en bloedvaten wordt dan geen hechtdraad gelegd. Die worden gewoon open gelaten. Door het extra kneuzen van de bloedvaten en de zaadstreng op meerdere plaatsen ontstaat meestal een snelle en afdoende bloedstolling. Bij onverwachte nabloedingen is het risico op aanhoudende bloedingen en soms verbloeding tamelijk groot. Helemaal ongevaarlijk is deze methode dus niet. Als alles wel goed verloopt, is de snelle wondgenezing daarentegen een groot voordeel. De castratiewond vertoont over het algemeen weinig zwellling omdat de dierenarts niets afbond. Ook het risico op het ontstaan van een castratiefistel is, in tegenstelling tot de twee andere methoden, niet aanwezig.

Klophengsten

Bij een normale hengst liggen de testikels in een uitgezakt deel van het buikvlies. Uitwendig is dit te zien als het scrotum (balzak) waarin beide testikels zijn gelegen. Meestal rond of kort na de geboorte dalen de testikels af in deze balzak en zijn ze, weliswaar klein, te voelen. Soms kunnen ze echter nog geruime tijd na de geboorte afdalen. Een enkele keer zelfs na zes tot twaalf maanden. Afhankelijk van de buitentemperatuur liggen de testikels opgetrokken dan wel losgelaten tussen de achterbenen onder de buik. Zijn één of beide testikels niet te voelen vanaf de buitenkant en dus niet afgedaald, dan is er sprake van een één- of tweezijdige klophengst. Vooral bij het Fries ras worden geregeld klophengsten gesignaleerd. Over beinvloeding van het afdalen van verborgen testikels doen vele verhalen de ronde. Bepaalde medicijnen kunnen worden toegediend; met wisselend succes. Soms kan een natuurlijke dekking een snellere afdaling van de testikels beinvloeden, maar ook die optie biedt geen garantie. Klophengsten mogen niet te laat worden gecastreerd. Door onder andere een te hoge temperatuur in de buikholte kunnen verborgen testikels in tumoren veranderen. Wie zich afvraagt of zijn paard (nog) klophengst is, kan om een bloedtest vragen. Een ruin met duidelijke hengstenmanieren, is mogelijk een dubbelzijdige klophengst. Het niet afdalen van de testikels, kan meerdere oorzaken hebben. Het heeft vooral met de grootte van het lieskanaal te maken; die is erfelijk bepaald. Een te klein lieskanaal kan wijzen op een klophengst. Een te groot lieskanaal kan leiden tot een liesbreuk waarbij de darmen in het lieskanaal zakken. In het verlengde daarvan ligt de zakbreuk waarbij de darmen in het scrotum komen. Beide aandoeningen veroorzaken in de regel ernstige koliek. Meestal is een operatie noodzakelijk en wordt de hengst meteen gecastreerd.

De ingreep          Voordat de dierenarts tot castratie overgaat, beoordeelt hij de algehele gezond-heidstoestand van de hengst. Hart en longen worden gecontroleerd op afwijkingen. Hierna wordt de staart met een bandage omwikkeld. Vervolgens onderzoekt de

dierenarts de testikels en de grootte van het lieskanaal. Als alles goed is bevonden, krijgt het paard een sedatie en worden de testikels gewassen en gedesinfecteerd. Hierna volgt de lokale verdoving van de zaadstrengen en de scrotumhuid. De tweede verdoving in het bloed van het paard zorgt ervoor dat het paard nog minder bij bewustzijn is, maar hij moet wel blijven staan. De tweede injectie bevat meestal een sterke pijnstillende vloeistof die de sedatie versterkt. Voor de zekerheid laat ik hierna kort de praam aanbrengen en maak ik opnieuw de testikels een tweede keer zo goed mogelijk 'steriel'. Hierna wordt de halfbedekte castratie uitgevoerd. De scrotumhuid wordt meestal open gelaten om overtollig wondvocht makkelijk af te laten vloeien. Om wondbesmetting, door onder andere vliegen, zoveel mogelijk te voorkomen, is het voor- of najaar de beste periode om de hengst te castreren. Ik laat de paarden de dag van de operatie op stal staan. Laat geopereerde paarden niet eten als ze nog versuft zijn. De eerste dag moet de eigenaar het paard goed in de gaten houden. Het nadruppelen van wondvocht of kleine bloedvaatjes behoeft meestal geen verdere behandeling. Dat nadruppelen kan enkele dagen aanhouden. Koel de operatiewond de eerste week één tot twee maal per dag met koud water. De eerste keer is dit voor de ruin niet aangenaam, maar na enkele dagen laten de meeste paarden de koeling en massage toe. Een goede tetanusbescherming en / of eventueel een antibioticum behoren tot de standaard nabehandeling. Geef de ruin de eerste dagen na de operatie gecontroleerde beweging; iedere dag iets meer. Vanaf drie weken na de operatie kan de ruin weer normaal aan het werk worden gezet. Wees er van bewust dat ook een gecastreerde hengst nog enige tijd (meerdere weken) merries kan bevruchten. Indien de hengst op de nominatie staat om te worden gecastreerd, wacht dan niet te lang. Jonge paarden hebben minder last van de ingreep dan oudere paarden.

   











Phryso,  feb. 2006


   Headshaking

Ingezonden brief

In december 2005 ontving de redactie van Phryso een brief van de eigenaar van een Fries paard. Zijn paard schudde het hoofd, om onverklaarbare redenen. Met name onder het rijden. Direct na het rijden, en soms al tijdens, hield het paard zijn hoofd en hals als een stofzuiger tegen de grond. De auteur van de veterinaire rubriek in Phryso, erkend paardendierenarts Ben Horsmans, is de aangewezen persoon om deze brief te beantwoorden. De klachten wijzen in de richting van het fenomeen Headshaking. Tot heden kwam het probleem vrijwel alleen bij warmbloedpaarden voor en is het bij Friezen nog nauwelijks gesignaleerd. Phryso wil de lezers het antwoord van Horsmans niet onthouden. Wie de symptomen in een vroeg stadium herkent, kan op tijd een paardendierenarts raadplegen. Hoe eerder, hoe beter. Een gewaarschuwd mens telt voor twee!

Headshaking ofwel hoofdschudden is een symptoom waarbij het paard abnormaal en in een voortdurende hinderlijke vorm zijn hoofd schudt. Dit hoofdschudden treedt vaak onder het rijden op maar wordt ook onafhankelijk daarvan waargenomen. Dat headshaking zeer storend is, behoeft geen uitleg. De symptomen lopen uiteen van het continu uit de hand trekken van de teugels tot voortdurend hoofdschudden, in alle mogelijke vormen.

Het berijden van paarden is niet de enige omstandigheid waarin headshaking zich kan openbaren. Enkele paarden vertonen de symptomen op stal. Een oorzaak kan niet altijd worden aangewezen. Soms ontstaat het heel snel en spontaan. De echte headshaker wordt in veel gevallen in de categorie paarden met 'stalondeugden'ingedeeld. Headshaking kan eigenaren tot wanhoop brengen. Het is dan zo hinderlijk dat de eigenaar uiteindelijk besluit zijn paard van de hand te doen.

Vliegen en stof kunnen een mogelijke oorzaak van headshaking zijn.

Klinisch onderzoek en oorzaken

Een eerste vereiste bij de zoektocht naar een mogelijke oorzaak is systematisch en nauwkeurig onderzoek. Alle mogelijke afwijkingen moeten worden genoteerd. Daarna kan een plan de campagne worden gemaakt. Het plan moet uiteraard een oplossing aanreiken. Een uitgebreid klinisch (uitwendig/zichtbaar) onderzoek door een deskundige is een must. De eigenaar van het paard speelt daar in eerste instantie een belangrijke rol in. Als dit eerste algehele onderzoek onvoldoende resultaat geeft, is het verstandig het paard nauwkeurig door een paardendierenarts te laten onderzoeken. Op dat onderzoek volgt een grondige palpatie (aftasten). De dierenarts onderzoekt eerst het hoofd, de directe omgeving daarvan en zo nodig ook de rest van het paard. Bij het hoofd controleert hij of het paard zichtbare afwijkingen vertoont aan voorhoofd, de ogen, neus en neusgaten, mond en tanden, onder- en bovenkaak, het kaakgewricht, etc. Ook oren, nek- en halsgedeelte dienen te worden onderzocht op afwijkingen. Soms kan een chronische irritatie van een te klein hoofdstel of halster of een te scherpe rand van het hoofdstel al een hardnekkige drukking geven aan de achterzijde van de oorbasis. Afwijkende verdikkingen, hard dan wel zacht, gevoelig dan wel pijnlijk, moeten door de dierenarts nauwkeurig worden beoordeeld. Ook gevoelige en / of pijnlijke lymfeklieren aan de onderkaak of in de keelstreek kunnen verdacht zijn. De ogen moeten zowel in het donker als bij licht worden onderzocht op eventuele afwijkingen. Acute of chronische problemen, bijvoorbeeld maanblindheid, kunnen wel degelijk van invloed zijn. De tanden moeten nauwkeurig worden onderzocht door een specialist. Vooral restanten van melktanden (doppen), gescheurde kiezen, wortelkanaalontstekingen, etc., kunnen aan headshaking ten grondslag liggen.

Vaak gaan deze wortelontstekingen in de bovenkaak gepaard met ontstekingen in de voorhoofdholtes, terwijl aan de onderkaak de pijnlijke uitpuilingen van het botvlies op de onderkaakrand herkenbaar kunnen zijn. Ook afwijkingen aan de nek- en/of halswervels zijn mogelijk een aanleiding tot  headshaking. Dat geldt teens voor doorbloedingsproblemen van de hals en het hoofd. In enkele gevallen is het te overwegen om middels scintigrafie (fotograferen van ophopingen van radioactief ingespoten materiaal) inzicht te krijgen in (mogelijke) doorbloedingsproblemen. Indien geen directe klinische aanleiding te vinden is aan het hoofd, dan kunnen rontgenfoto's soms uitkomst bieden. De foto's zijn niet altijd makkelijk te beoordelen. Een bezoek aan een specialistische paardenkliniek met ervaring in deze problematiek is dus vereist.


Na een klinisch onderzoek zal de dierenarts de ogen, oren en neus aan uitgebreid medisch onderzoek willen onderwerpen. Eventuele verborgen problemen aan de zintuigen kunnen mogelijke oorzaken van headshaking zijn.

Inwendig onderzoek

Tot het specialistische onderzoek behoort ook het zogeheten spiegelen. De dierenarts bekijkt inwendig met een flexibele slang de voorste luchtwegen. Dit begint bij de voorste neusingang waarna het bovenste neusluchtwegkanaal met het zeefbeengedeelte en het onderste neusluchtwegkanaal dat in de keelholte loopt, volgen. Achter in de keelholte bij het paard zijn via dit spiegelen twee plooien zichtbaar die ingang naar de luchtzakken verschaffen. De luchtzakken zijn doodlopende vergrote buizen van Eustachius en liggen aan weerszijde van het strottenhoofd in de keelstreek. Tijdens het slikken openen de luchtzakplooien zich heel even en verversen daarmee de lucht in deze mandarijngrote holtes. Een echt speciale functie hebben deze luchtzakken niet maar ze kunnen wel soms de aanleiding tot problemen vormen. Schimmelinfecties, bloedingen, ontstekingen etc. kunnen erin optreden. Door middel van scopie en / of spiegelen kan de dierenarts de luchtzakken inwendig beoordelen. Ook oude droesinfecties kunnen resten achterlaten in de holtes en uiteindelijk toch een probleem opleveren.

Het zeefbeen is een sterk vertakt botachtig weefsel dat hoog in de neus bij het paard gelegen is. Doordat lucht via de neusgaten naar binnen wordt gezogen, komt een gedeelte van de lucht via dit zeefbeen in contact met het slijmvlies aldaar. De reukzenuwen van het dier zijn in dit zeefbeen elegen. Soms kunnen vliegen en of stofdeeltjes, die in dit zeefbeennetwerk terecht zijn gekomen, voor flinke irritatie zorgen. Ook scherp ruikende of irriterende stoffen zoals bijvoorbeeld ammoniak (urine), kunnen problemen veroorzaken. Het is mogelijk dat er, door wat voor reden dan ook, kleine bloeduitstortingen ontstaan in / bij dit zeefbeen. Dit zorgt dan weer voor een afwerende reactie in de vorm van het kopschudden. Deze kleine inwendige bloeduitstortingen zijn te herkennen in lichte bloedingen die geregeld in 1 van de neusgaten zichtbaar worden. Door te spiegelen is deze aandoening eenvoudig op te sporen. Inwendige oorproblemen bij paarden komen niet zo vaak voor. Soms zorgen oormijten voor flinke jeuk en / of ontstekingen. Vooral oren die regelmatig worden uitgeschoren bieden stof en dergelijke gemakkelijk toegang. Met alle gevolgen van dien. 'Schimmelachtige' plekken, wit/grijs van kleur aan de binnenkant van de oorschelp, komen wel geregeld voor. Deze plekjes kunnen heel hardnekkig zijn en zich soms over de hele inwendige oorschelp verspreiden. Alleen door regelmatige behandeling is deze aandoening enigszins in toom te houden. Indien stress wordt aangewezen als mogelijke oorzaak van headshaking kan door middel van een maagspiegeling worden onderzocht of maag en / of darmzweren mogelijk hieraan ten grondslag liggen. Door gerichte medicijnen en / of aangepaste voeding (meer ruwvoer en minder krachtvoer) zijn deze zweren ofwel slijmvliesafwijkingen heel goed te behandelen. Het paard wordt daarna in de regel rustiger en beter handelbaar. Indien klinisch, rontgenologisch en / of inwendig onderzoek geen afwijkingen te zien geven, zullen andere, niet direct veterinaire aanleidingen moeten worden onderzocht.

Overige oorzaken en behandelingen

Bij sommige paarden is een algemeen managementprobleem in berijden en / of longeren de (mogelijke) oorzaak van headshaking. Om tot die conclusie te komen, moet een nauwkeurige analyse van de omgang en rijtechniek worden gemaakt. Het onderzoek is met name van toepassing als het paard alleen onder de man of bij het werk headshaking vertoont. Ook kan stress, bijvoorbeeld bij longeren of veelvuldige herhalingen van een oefening tijdens de rijlessen, een grote rol spelen. Eenmaal aangeleerd probeert het paard zich door afwijkend gedrag te onttrekken aan invloeden van buitenaf. Er zijn gevallen bekend van afwijkingen in de bovenste halswervels waarbij het paard bij meer dan normale buiging extreem afwijkend gedrag ging vertonen. Een rontgenfoto met eventueel een contrastonderzoek van het ruggemergkanaal kan in zulke gevallen duidelijkheid verschaffen. Analyseer dus goed en varieer het werk voor het paard. Beoordeel of variatie verbetering brengt. Een tweede, niet veterinaire oorzaak, is een vergrote lichtgevoeligheid. Met andere woorden: het paard reageert meer dan normaal via zijn ogen op zonlicht ofwel ultra violet licht. Deze headshakers vertonen het afwijkende gedrag meestal seizoensgebonden. In de winter zal het paard weinig tot niet het hoofd schudden, in de zomer des te meer. In de handel voor de draf- en rensport zijn oog- en oorkappen voor paarden verkrijgbaar. Een paard dat gevoelig op licht reageert en daardoor het hoofd schudt, zal door het dragen van deze kappen tijdens het rijden minder last hebben. Daarnaast kan in de bestrijding van lichtgevoeligheid medicatie (Cyproheptadine) worden toegediend. Voor medicinale behandeling is de begeleiding van een gespecialiseerde paardendierenarts noodzakelijk. In de behandeling van de lichtgevoeligheid en in het verlengde daarvan headshaking, wordt vaak snel resultaat verkregen. Een overgevoeligheid van een zenuw in het hoofd, de nervus trigeminus, kan eveneens de aanleiding tot headshaking zijn. Ook deze aandoening is alleen via medicatie- dus ook eventueel verdoven- te achterhalen en zo mogelijk, te behandelen. Overgevoeligheid aan de nervus trigeminus, kan dus alleen door het te testen worden vastgesteld. Van de behandeling met medicijnen worden paarden vaak wel iets rustiger hetgeen de omgang meestal positief beinvloedt. Paarden kunnen eventueel ook worden behandeld door het vernevelen (inhalatie) van bepaalde medicijnen. Soms zal echter blijken dat, ondanks alle uitgevoerde onderzoeken, de echte oorzaak voor headshaking vrijwel niet te achterhalen is. Bij deze paarden wordt de oorzaak 'ideopatisch' genoemd, ofwel: de oorzaak is onbekend.


Tot slot

Uit de praktijk blijkt dat door heel eenvoudige oplossingen vermindering van headshaking kan worden bereikt. Het paard is dan weer op normale wijze inzetbaar. Bij meer dan 75 procent van de headshakers gaf gaas- of netbescherming van neus, ogen en / of oren een aanzienlijke vermindering van het hoofdschudden. Ondanks het feit dat dierenarts en eigenaar de echte oorzaak niet konden achterhalen. Vanuit de praktijk is ook bekend dat zogeheten alternatieve therapieen, zoals homeopatische middelen, meestal weinig tot geen resultaat brengen. Afsluitend kan worden gesteld dat gedegen onderzoek door een paardendierenarts bij een paard met headshaking op zijn plaats is. Hierop volgend moet het hele management rond het paard worden doorgelicht. Vervolgens kunnen medicijnen en overige methoden in symptoombestrijding worden toegepast. Hoe eerder de zeer hinderlijke aandoening headshaking wordt behandeld, hoe groter de kans is dat het paard 'geneest'. De hoop is gevestigd op toekomstig onderzoek, zodat dierenartsen en paardeneigenaren meer licht in de duistere wereld van headshaking krijgen.
















Phryso, april 2006




Embryo Transplantatie
bij het paard  (ET)
anno 2006

Sinds enige tijd is het verschijnsel embryotransplantatie (ET) bij het paard  een niet meer weg te denken fenomeen binnen de Nederlandse paardenfokkerij. Niet alleen in de warmbloedfokkerij van spring- en dressuurpaarden maar ook in de draverswereld blijken meerdere embryonakomelingen zich tot toppers te ontwikkelen. In Amerika en Canada, bijvoorbeeld, vinden steeds meer embryotransplantaties bij Friese paarden plaats. Op een van de bekendste ET stations in Canada zijn afgelopen jaar meer dan vijftig Friese topmerries gespoeld.

Leek het eerst erop dat de ET bij het Fries ras een uitzondering zou blijven, de praktijk blijkt toch het tegendeel te gaan bewijzen. Vorig jaar werden embryoveulens geboren uit onder andere topmerries Olcha, Tetske en Setse. Ook dit jaar staan bij verschillende Friezenfokkers weer een aantal draagmerries op het punt te bevallen van embryoveulens.

Wat is ET  ??    

Met de term embryotransplantatie wordt eigenlijk niets anders bedoeld dan het overplanten van een heel jonge, ongeveer zeven dagen oude vrucht vanuit een donormerrie naar een ontvangende merrie. In de volksmond wordt de vrucht "embryo" genoemd maar die term is eigenlijk niet helemaal correct omdat er nog geen sprake is van een compleet aangelegd individu. Het enige waaruit dit embryo bestaat is namelijk een heel klein blaasje met een doorsnede van 0,1 tot 1 mm. Het blaasje is gevuld met enkele sneldelende cellen. Deze cellen groeien uiteindelijk uit tot een compleet individu.l ET lijkt dan ook heel spectaculair maar is het in de praktijk niet. In wezen is het niets anders dan een speciale techniek waarbij grote nauwkeurigheid is vereist en waar het vooral aankomt op ervaring. Hoe gaat ET bij het paard nu in zijn werk? Een merrie wordt tijdens een hengstigheid gedekt of geinsemineerd. Daarbij wordt zo goed mogelijk bekeken wanneer de eisprong precies plaatsvindt. Op de zesde tot zevende dag vanaf de eisprong (ovulatie) spoelt de dierenarts middels een aantal (drie) liters spoelvloeistof het embryo uit de baarmoeder (uterus) van de donormerrie. Deze spoelvloeistof wordt daarna gefilterd. De filterinhoud wordt daarna in het laboratorium verder onderzocht. Aangezien dit embryo met het blote oog niet zichtbaar is, is elke druppel vloeistof die verloren gaat er een teveel. Met andere woorden: dit spoelen vergt een uiterste zorgvuldigheid waarbij elke millimeter telt. Vervolgens wordt onder de microscoop het embryo gezocht en beoordeeld op kwaliteit en leeftijd aan de hand van het aantal cellen en het stadium waarin die cellen verkeren. Deze beoordeling vindt plaats volgens een vast protocol. Ook wordt het embryo meerdere malen gewassen voordat verdere verwerking plaats vindt. Daarna wordt het embryo ingevroren of, indien er een geschikte ontvangster aanwezig is, vers overgezet. Over het algemeen geldt: hoe groter (ouder) een gespoeld embryo is, hoe gevoeliger waardoor de eindresultaten minder goed zullen zijn. De donormerrie kan echter niet vroeger dan zes dagen na de bevruchting worden gespoeld, omdat het embryo dan nog niet in de baarmoeder aanwezig is. Belangrijk voor de ontvangende merrie is dat deze vrijwel in hetzelfde cyclusstadium is als de donormerrie, dat wil zeggen: niet hengstig. Het overzetten naar de ontvangster (het eigenlijke transplanteren) kan principieel op twee manieren plaatsvinden, te weten chirurgisch of niet-chirurgisch. In Nederland is alleen de niet-chirurgische methode toegestaan. Bij de transplantatie dient elke overmatige prikkeling van de baarmoeder van de ontvangster zoveel mogelijk te worden vermeden. Het uiteindelijke transplanteren is daardoor een zaak van veel ervaring en 'fingerspitzengefuhl' omdat anders de merrie "opbreekt". Dan is alles voor niets geweest.  

ET-spoeling bij een donor-merrie.  

ET paard versus rund  

Over het algemeen vindt de echte bevruchting van een eicel met een zaadcel plaats in de eileider (oviduct). Deze eileider vormt de verbinding tussen eierstok en baarmoeder. Ongeveer zes a zeven dagen na de eisprong (is post-ovulatie) 'daalt het embryo af' naar de baarmoeder (uterus) en zwerft daar ongeveer acht a negen dagen rond alvorens het een vaste plek uitzoekt voor innesteling en dus mogelijke drachtigheid. Van het paard is in vergelijking met het rund bekend dat er meestal maar een embryo afdaalt (een enkele keer twee embryo's afdalen) c.q. bevrucht wordt (worden) per cyclus. Super-ovulatie bij het paard is op een enkele uitzondering na nog niet mogelijk. Er wordt echter wel veel onderzoek naar gedaan. Bij het rund is wel superovulatie mogelijk. Ook is bij het paard in vergelijking met het rund bijna altijd sprake van bevruchte embryo's. Paarden reageren, zoals wellicht bekend, op veel zaken heel anders dan runderen. Het zijn nog altijd vluchtdieren met alle gevolgen van dien in de omgang., behandelingen, voeding et cetera. Samengevat betekent dit dat ET bij het rund moeilijk te vergelijken is met ET bij het paard. Ook met betrekking tot de kosten is de vergelijking anders. Bij het rund is de kostprijs per embryo natuurlijk veel lager dan bij het paard. Het rund levert meestal vele malen meer embryo's per spoeling op dan het paard.

De dierenarts beoordeelt het embryo in een laboratorium.

Een embryo van een paard, twee dagen na de bevruchting.



Resultaten

Afgelopen jaar werden er meer dan 450 ET-spoelingen bij paarden uitgevoerd in Maria Hoop. In totaal werden meer dan 750 inseminaties uitgevoerd. Het grootste gedeelte van de gewonnen embryo's werden vers overgezet. De rest werd ingevroren. Het totale resultaat was bovengemiddeld. In het algemeen geldt voor ET bij het paard een gemiddeld slagingspercentage van een op vier. Met andere woorden: viermaal spoelen en transplanteren levert 1 drachtigheid op (25%). Op het AEC te Maria Hoop kwam dit resultaat boven de 40%. De individuele resultaten van ET bij paarden kunnen echter erg wisselen. Zo werden afgelopen jaar van een oude zeer waardevolle hengstenmoeder acht spoelingen gedaan waarbij maar 1 embryo succesvol overgezet kon worden. Een andere jonge waardevolle hengstenmoeder leverde met vier spoelingen vijf embryo's op. Honderd procent van de ontvangende merries werd drachtig.

De resultaten via diepvriesembryo's zijn in het algemeen iets lager dan 'vers' overgezette embryo's. Hier staat tegenover dat men bij diepvries niet afhankelijk is van het cyclustijdstip van de ontvangster. Een bijkomend voordeel vanj diepvries is dat het bedrijf minder in aantallen draagmoeders hoeft te investeren. De laatste nieuwste trend in de ET bij het paard is dat in Nederland door diverse dierenartsenpraktijken lokaal, dus bij de eigenaar thuis, merries voor ET worden gespoeld en de embryo's daarna per koerier worden opgestuurd naar zogenoemde transplantatiestations. Deze stations beschikken over een groot aantal draagmoeders dat voor de uiteindelijke transplantatie gebruikt wordt. Het grote voordeel van deze methode is dat de embryohandeling (laboratorium) en de transplantatie kan worden uitgevoerd door de echte specialisten met veel ervaring. Hierdoor neemt het uiteindelijke resultaat voor een succesvolle ET natuurlijk belangrijk toe.

Wat is belangrijk indien een paardeneigenaar bij een merrie ET overweegt? Realiseer dat een goed en succesvol resultaat het beste te behalen is bij een goed vruchtbare merrie en een goed vruchtbare hengst. Vruchtbare merries produceren kwalitatief veel betere embryo's die zich ook nog eens veel beter in de nieuwe baarmoeder innestelen. Vanaf een donorleeftijd van vijftien jaar en ouder neemt het resultaat duidelijk af. Voor de draagmoeder geldt dat behalve een bepaalde mate van milieu, zogenoemde maternale, moederlijke en verzorgende eigenschappen, er geen invloed is op de genetische kwaliteit van het embryo. Deze maternale invloed blijft beperkt tot enkele maanden na de geboorte. Toch dient een goede draagmoeder aan een aantal eisen te voldoen. Ze dient een voldoende goed karakter te hebben, niet te klein te zijn, niet te dik en had bij voorkeur al eens een veulen. Uiteraard dient de merrie in gynaecologisch opzicht optimaal te zijn. Eigen merries, die genetisch gezien van iets mindere kwaliteit zijn, kunnen eveneens als draagmoeder worden ingezet. Het grote voordeel is dat de eigenaar deze merrie(s) meestal goed kent. Daarnaast zal de groep waar de merrie deel van uitmaakt, geen hinder van 'vreemde' paarden ondervinden. Spoelen voor ET kan meerdere malen per jaar, dus niet alleen tijdens het normale seizoen maar ook daarbuiten. Enige voorwaarde is dat de merrie goed hengstig is / wordt. Het is eveneens mogelijk om in het begin van het seizoen enkele malen de merrie voor ET te spoelen en daarna de merrie na een laatste inseminatie gewoon drachtig te laten worden. In het algemeen is het goed om een merrie na een ruim aantal spoelingen een normale dracht te laten uitdragen.



Pasgeboren ET- veulen. Hij is de volle broer van dekhengst Sape 381.

Ook de kampioene van de Centrale Keuring 2005, Gonda FT, heeft een volwaardig ET-broertje.

Toekomst

Voor wat betreft ET bij het paard is de experimentele fase duidelijk voorbij en kunnen paardeigenaren momenteel heel goed gebruik maken van deskundigheid die met name in Nederland voorhanden is. Welk voordeel kan ET bij het (Friese) paard nog meer hebben? Zoals duidelijk vermeld, is ET bij het paard alleen zinvol indien de fokker hoogwaardig genetische donormerries gebruikt. Door meerdere nakomelingen per jaar van deze hoogwaardige merries te verkrijgen is het mogelijk om in een kortere tijd een grotere genetische vooruitgang te behalen dan tot nu toe. Door ET verkrijgen fokkers een betere selectie. Daarnaast wordt de generatie-interval verkort. Het is wel belangrijk dat de merrie-eigenaar een duidelijk fokprogramma voor ogen heeft want fokken is denken in generaties. Fokken hoeft geen gokken te zijn als de fokker weet wat hij wil. Een paardenfokker dient zich tevens af te vragen of hij gericht wil fokken of alleen maar wil vermeerderen. Een fokprogramma kan zowel bij de individuele fokker als bij een stamboekorganisatie worden opgesteld. In de runder- en varkensfokkerij zijn uitgekiende fokprogramma's heel normaal. De vooruitgang in deze fokkerijtakken zijn daardoor dan ook aanzienlijk. Wil de Friezenfokkerij in Nederland bijblijven dan kan ET hierbij een belangrijke rol vervullen. Het feit dat vooral in toenemende mate en met succes in Noord Amerika ET bij het Friese paard wordt ingezet, kan een reden temeer zijn om ook in ons land deze bevruchtingstechtniek toe te passen.


                        














Phryso, 
mei 2006             




OCD
bij het
(Friese) paard

OCD ofwel Osteochondritis Dissecans is een aandoening die in 1887 bij mensen werd beschreven; in 1947 bij het paard. Ook bij honden, kalkoenen, varkens en runderen is OCD diepgaand onderzocht en werd er veel over gepubliceerd. De continu stroom van artikelen in vakbladen bewijst dat de aandoening bij het paard nog steeds actueel is. Ook bij het Friese paard is OCD een veel voorkomend fenomeen. Sommige stamboeken kennen een officiele selectie middels de hengstenkeuring en via de merriestapel. Bij het Fries ras is tot nu toe alleen in de keuringen van hengsten een selectie op mogelijke OCD-vererving toegepast.

Over de symptomen en diagnose van OCD zijn de wetenschappers het intussen eens, maar over de mogelijke en complexe oorzaken bestaat nog steeds geen eenduidigheid. Sommige wetenschappers beweren dat OCD middels genetisch onderzoek eenvoudig te selecteren is, terwijl andere onderzoeken juist aangeven dat, ondanks een strenge selectie middels bijvoorbeeld de hengstenkeuring, er nauwelijks een verbetering te bespeuren valt in het voorkomen van de aantallen paarden die OCD blijken te hebben.

Aandoening

De naam OCD is samengesteld uit de woorden Osteo ofwel bot, chondritis ofwel 'ontsteking van het kraakbeen' en 'dissecans'. Dat laatste betekent 'losgeraakt'. Hoewel de laatste twee lettergrepen in 'osteochondritis' ítis, op ontsteking duiden, is dat niet een prominent symptoom van de aandoening. Er wordt dan ook vaak over 'osteochondrose' gesproken. Dit woord geeft aan dat er sprake is van een chronische (langdurige) aandoening. Met andere woorden: OC(D) kan het beste worden omschreven als een niet acute verstoring in de omvorming van kraakbeen in bot zoals het bij het jonge dier (en mens) plaatsvindt. Bij elk zoogdier wordt tijdens de ontwikkeling in de baarmoeder het skelet in eerste instantie in kraakbeen aangelegd. In een latere fase verbeent dit kraakbeen. Dat geschiedt vanuit verbeningscentra die meestal zowel in het midden als aan de uiteinden van de lange pijpbeenderen zijn gelokaliseerd.  Bij de geboorte is het verbeningsproces een eindjej op weg, maar nog niet klaar. De lengtegroei van de pijpbeenderen vindt plaats vanuit de zogenoemde groeischijven; schijven van het oorspronkelijke kraakbeen die zich tussen de verbeningscentra in het midden en aan de einden van de pijpbeenderen bevinden en pas als laatste verbenen; wanneer de groei stopt. Aan de kant van het gewricht vindt natuurlijk ook groei plaats. Het proces verloopt soortgelijk. Het bot groeit uit en het oorspronkelijke kraakbeen verbeent langzamerhand totdat de groei stopt en er een dun randje kraakbeen overblijft dat we gewrichtskraakbeen noemen.

Normaal en gezond gewrichtskraak-been.

Paard met bolspat aan het spronggewricht.

OCD bij het paard is het gevolg van een verstoring van dat laatste proces van verbening aan de gewrichtszijde. Bij paarden die last van OC hebben, verloopt die verbening ongelijkmatig en te laat. Er ontstaan heel dikke stukken kraakbeen die te dik zijn om nog goed te worden gevoed. Tengevolge daarvan sterft er kraakbeen af dat als een 'losse flap'in of bij het gewricht terecht kan komen.

Algemeen wordt aangenomen dat OCD afwijkingen tussen nul en twaalf maanden na de geboorte ontstaan. Omdat op latere leeftijd de groei bij het paard minimaal is, moet OCD dus op jeugdige leeftijd zijn ontstaan; in tegenstelling tot chips die na een trauma afbreken. Deze traumachips zijn gevormd door kleine gewrichtsdeeltjes en komen dus niet uit OCD voort. Het ontstaan van OCD is een probleem waarbij meerdere factoren dan alleen genetica een rol spelen. Groeisnelheid, beweging, voeding, trauma etcetera zijn eveneens factoren die van belang kunnen zijn. Bekend is dat snel groeiende paarden veel meer kans op groeistoornissen hebben en dus op OCD. Deze groeisnelheid wordt grotendeels genetisch maar ook bijvoorbeeld door de hoeveelheid voer bepaald. Bij pony's komt door de lagere groeisnelheid zelden OCD voor. Onvoldoende beweging zorgt onder andere voor verminderde doorbloeding en kan dus ook OCD-problemen veroorzaken. Daar staat tegenover dat te veel beweging, met een mogelijk trauma tot gevolg, weer teveel van het goede kan zijn. Te veel voer en dus een te hoog energieniveau maakt jonge paarden snel te vet waardoor bijvoorbeeld de beweging afneemt. Beperkt voeren, maar wel uitgebalanceerd, is van wezenlijk belang voor de opfok. Om gezonde en sterke botten te verkrijgen, dienen paardeneigenaren veel aandacht te besteden aan de juiste calcium- en fosforverhouding in het voer van veulens en jonge paarden. Deze verhouding dient kort bijeen te liggen 1 : 1    of 2 : 1. Uit de praktijk blijkt dat juist in calcium- en fosforverhoudingen veel fouten worden gemaakt. Er zijn sterke aanwijzingen dat vooral de koper- en zinkvoorzieningen in het voer van jonge paarden heel belangrijk zijn. Speciale supplementen, bijvoorbeeld Megabase, bij jonge groeiende paarden sorteren een positief effect in het voorkomen van OCD. Vooral de eerste winter van het (gespeende) veulen blijkt een voorname rol te spelen in de mogelijke ontwikkeling van OCD. De omgevingsfactoren spreken voor zich. Tijdens die eerste winter krijgen heel jonge paarden vaak minder beweging, te veel voeding, te weinig zonlicht, te weinig vitamines etcetera. OCD is op jonge leeftijd via rontgenfoto's als vast te stellen. Bekend is ook dat sommige OCD-veranderingen tot circa achttien maanden vaak weer kunnen herstellen en / of verdwijnen en daarna niet meer terug te vinden zijn. Paarden te vroeg rontgenen, is om die reden niet altijd zinvol.





Binnenkant van een gewricht met afwijkend kraakbeen.












OCD in de kogel.

Inwendige verschijningsvormen

Doordat bij OCD sprake is van een storing in de vorming van het bot, worden de meeste afwijkingen met name in de grote en snelst groeiende botten verwacht. Een dierenarts kan via rontgenfoto's van de gewrichten die afwijkingen vertonen, zien hoe ernstig deze afwijkingen zijn. Eén van de geringste afwijkingen is bijvoorbeeld te herkennen aan een lichte afplatting van het gewrichtsoppervlak. Dat wordt meestal Osteochondrose (OC) genoemd. Indien er echter sprake is van een (al of niet losliggend) stukje bot / kraakbeen (gewrichtschip) in een gewricht, heet de afwijking OCD. Soms kan een soort holte in of kort bij een gewrichtsoppervlakte een sterke aanwijzing zijn dat er een groeistoornis heeft plaatsgevonden. In dat geval wordt het een botcyste genoemd. Sommige deskundigen gaan ervan uit dat de botcyste indirect toch een vorm van OCD is. Vanwege de beperkte behandelingsmogelijkheden kent een botcyste meestal een slechte prognose. OCD-chips in gewrichten kunnen heel wisselend in grootte en aantal zijn en / of kunnen zich heel stabiel in een hoek van een gewricht ophouden. Deze chips geven dan meestal weinig problemen en hoeven niet altijd te worden verwijderd. Maar als losliggende chips plotseling tussen de bewegende delen van het gewricht terechtkomen, kan het paard ineens ernstige kreupelheid vertonen. In die situatie is snel ingrijpen vereist. Met een operatie (artroscopie) voorkomen paardeneigenaar en dierenarts een ernstige beschadiging van het gewricht. Voor de sport hoeven rustende chips dus geen probleem te zijn, maar voor handelspaarden is het wel vaak beter om aanwezige chips te laten verwijderen. In het algemeen geldt dat chips in het kniegewricht meer problemen kunnen veroorzaken en dus eerder een operatie vereisen dan chips die in de kogel voorkomen.


Herkenning (uitwendig)

Hoe kan OCD worden herkend en wat zijn de meest OCD-gevoelige plaatsen bij het paard?

Wat betreft de symptomen van OC en / of OCD bij een paard kan dit varieren van een uitwendig volledig normaal beeld tot ernstig overvulde en pijnlijke gewrichten met ernstige kreupelheid. Met andere woorden: alles is mogelijk. Een (snel) groeiend paard met overvulde gewrichten, en dan met name de spronggewrichten, is meestal verdacht van OCD totdat via rontgenonderzoek bewezen is dat OCD niet de oorzaak is. Dat wil zeggen, dat er dan geen chip(s) op de rontgenfoto's zijn waargenomen. Gewrichten reageren op irritaties door overmatige aanmaak van gewrichtsvloeistof (synovia). Bij OC of OCD is dus sprake van een bepaalde mate van irritatie. Synovia dient in normale omstandigheden als smering en stootkussen voor het gewrichtsoppervlak (kraakbeen) en biedt ook nog voeding aan hetzelfde kraakbeen. Bij overvulling  ten gevolge van OC of OCD is de synovia meestal slecht van kwaliteit en te dun. Overmatig geproduceerde synovia veroorzaakt een overvuld (bol) gewricht. Soms kan er ook sprake zijn van een te groot aanbod van te eiwitrijk voer waardoor één of meerdere gewrichten iets voller dan normaal zijn. Indien dit zich in lichte mate voordoet, wordt het "bloei" genoemd. Een zachte overvulling in sterke mate aan de binnenbovenkant van één of beide spronggewrichten heet bolspat. De afwijking moet niet worden verward met de andere harde vorm van spat. Harde spat heeft namelijk niets te maken met OC(D) en is een duidelijk hard beengebrek dat wordt gekenmerkt door botveranderingen in de kleine gewrichten van de sprong (arthrose).

Afplattingen ofwel OC bij het paard komt het meeste voor in het spronggewricht (binnenste rolkam) en in de knie (buitenste rolkam). OCD's komen het meeste voor in de kogel, sprong- en kniegewrichten. OC is in de meeste gevallen minder ernstig dan OCD. Ook andere gewrichten kunnen echter problemen ondervinden van OCD, zoals de elleboog, schouder en halswervels. Deze laatste lichaamsdelen zijn veel moeilijker te onderzoeken en in beeld te brengen. Over het algemeen geldt dat de meeste OC- en / of OCD-chips op rontgenfotos te herkennen zijn. De ernst van een OC of een OCD is tijdens een kijkoperatie het beste te beoordelen. Geadviseerd wordt om, voordat een chipoperatie wordt overwogen, alle andere belangrijke gewrichten van het paard ook te laten rontgenen. Vaak komen OCD-afwijkingen bij meerdere gewrichten voor (vaak symmetrisch). Indien dat vermoeden wordt bevestigd, kunnen de OC / OCD-afwijkingen tijdens één operatie worden behandeld.

OC(D) en het KFPS

Ondanks jarenlange, strenge selectie in Osteochondrose bij de hengstenselectie is in de paardenpopulatie geen afname van het aantal afwijkingen te constateren. Dat geldt voor zowel het KFPS als het KWPN.

Mogelijke oorzaken zijn:

1. Omdat hengsten niet op alle OC-gevoelige locaties worden gescreend, kan er sprake zijn van een relatief groot aantal 'vals negatieve' hengsten;

2. Een screening van de hengst zelf is mogelijk niet toereikend. Een hengst die zelf geen OC heeft, kan het wel doorgeven aan zijn nakomelingen.

3. Het is de vraag of alle klassen van OC/OCD dezelfde genetische basis hebben. Met andere woorden: hoe zinvol is het om minimale afwijkingen in de selectie mee te nemen?

Het KWPN voert momenteel een grootschalig onderzoek uit om antwoorden op deze vragen te krijgen. Van alle hengsten worden twintig eenjarige nakomelingen gescreend op een groot aantal OC-gevoelige locaties. De Fokkerijraad van het KFPS is van mening dat, gebaseerd op het ontbreken van enige selectierespons, het beleid ten aanzien van de OCD-bestrijding moet worden gewijzigd. Om tot een goed gefundeerde beleidswijziging te komen, zullen de resultaten van het KWPN-onderzoek worden afgewacht. De eerste resultaten worden in de loop van het jaar verwacht. (Tekst: Ids Hellinga)


(Kijk)operatie

Bij een kijkoperatie of arthoscopie wordt het paard onder volledige narcose gebracht. Met behulp van een kleine televisiecamera wordt het gewricht van binnen bekeken. De chirurg maakt de aanwezige chip(s) los en verwijdert ze uit het gewricht. Het gewrichtskraakbeenoppervlak wordt daarna zo goed mogelijk glad gemaakt. Tijdens de operatie wordt het gewricht continu onder druk gespoeld. Tot slot wordt de kleine operatiewond gehecht. Meestal kan het paard na een paar dagen weer naar huis. Wel wordt het betreffende gewricht daarna meestal nog enkele malen nabehandeld om het herstel te ondersteunen. Dit kan lokaal of middels voedingssupplementen. Afhankelijk van de ernst van de OC(D), kan na meerdere weken revalidatie het werk weer voorzichtig worden hervat. Over het algemeen lijden paarden weinig van een kijkoperatie. Wel is het belangrijk dat de operatie wordt uitgevoerd door een ervaren chirurg. Ook wordt geadviseerd om bij ernstige en / of moeilijke afwijkingen controlefoto's te laten maken om te bekijken of alles naar wens is verlopen.






Een OCD
(kijk) operatie
.

Tot slot

Bij warmbloedpaarden en het Fries ras wordt aangenomen dat gemiddeld 35 tot veertig procent van alle paarden met OC(D) te maken heeft of heeft gehad. Het schijnt dat vooral het spronggewricht alsook de kogels (kootgewrichten) aan de achterbenen van de Fries vaak de meeste problemen vertonen. Omdat bij KWPN-paarden ongeveer gelijke percentages worden geconstateerd, is inteelt bij het Friese paard niet de enige (aanwijsbare) oorzaak. Vooral omgevingsfactoren blijken van wezenlijk belang bij het onderkennen van OC- en OCD-problemen. Dit neemt niet weg dat genetische selectie een belangrijke stap is om OC en OCD terug te dringen.

Dit zou niet alleen via de hengstenstapel moeten plaatsvinden maar ook via een selectief beleid in de keuze van fokmerries. Vanwege de sterke verspreiding van het fenomeen OC(D) en de grote economische schade die hiermee gepaard gaat, blijft het belangrijk om naast selectie veel aandacht te besteden aan de opfok (voeding, beweging, etcetera) van jonge Friese paarden. Mogelijk dat wetenschappelijk onderzoek paardendierenartsen en stamboeken in de toekomst een bredere ondersteuning in de strijd tegen OC en OCD kan bieden.


Dit artikel kwam tot stand met medewerking van Dr. R. van Weeren van de Faculteit Diergeneeskunde in Utrecht.